Kustgemeenten moeten strandafval selectief inzamelen

Uit het Milieurapport Vlaanderen blijkt dat de gemeentes uit de regio Oostende meer restafval voortbrengen dan de andere Vlaamse gemeentes. In de meeste gevallen ligt dit sterk boven de vooropgestelde Vlaamse doelstelling van 150kg restafval per inwoner voor 2007. Restafval bestaat uit alle niet-selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

Een belangrijke factor voor dit verschil met de andere gemeentes is te wijten aan het kusttoerisme (gemiddeld gezien wordt  in het zomerseizoen per maand in een kustgemeente 54% meer afval ingezameld). Dit argument geldt echter niet voor de gemeenten die meer landinwaarts liggen en slechte cijfers inzake restafval combineren met beperkt toerisme.

JONGCD&V Regio Oostende pleit voor een betere afvalbeheersing in drukke toeristische zones door het gebruik van selectieve vuilnisbakken (PMD, papier en karton, glas en restafval). Deze nieuwe vuilnisbakken worden ook reeds gebruikt in vernieuwde treinstations. JONGCD&V regio Oostende Roept de gemeenten tevens op om samen met de provincie werk te maken van nieuwe campagnes om het belang van het sorteren van afval in de verf te zetten. Deze acties mogen zich niet enkel beperken tot jongeren maar moeten zich tot iedereen richten.

L’homme ne grandit pas quand la nation décline.

Nicolas Sarkozy

Prettige Vakantie!

Sinds deze week is de zon eindelijk in het land. De zomer kan echt beginnen! Omdat we allemaal het ganse jaar met zoveel in de weer zijn wenste JONGCD&V regio Oostende deze middag de zonnekloppers een prettige vakantie toe! Met strandballen en frisbees trokken we het Oostendse strand op (ter hoogte van Ravelingen) om iedereen een deugddoende vakantie te wensen met wat tijd voor zichzelf en het gezin!

Een enorm geslaagde actie met alleen maar blije gezichten! Meer foto’s van deze actie vind je op Flickr. Het interview op VBRO en Radio2 volgen later.

De kracht van integratie

Het effect van de invoering van de interne markt in 1992 is al enorm geweest. Volgens de Europese Commissie was het bbp van de Europese Unie in 2002 bijna 2 procent hoger dan het zonder de invoering van die interne markt zou zijn geweest, terwijl de werkgelegenheid met bijna 1,5 procent toenam. De interne markt heeft ook geleid tot een verdubbeling van buitenlandse directe investeringen in de EU, en dankzij de concurrentie zijn de prijzen voor de consumenten op recordlaagten gekomen (de prijs van vliegtickets is bijvoorbeeld met ruim 40 procent omlaag gegaan en de prijs van telefoons met meer dan de helft.)

[Europese Commissie, The Internal Market: Ten Years Without Frontiers, Brussel, 2003]

Samen werkt: cdH - CD&V

Samen met Emilie Vermeiren organiseerde ik woensdag informeel een voetbalmatch in het park nabij het Brusselse Fontainasplein om nederlandstalige en franstalige christendemocraten dichter bij elkaar te brengen. De opkomst was veel beter dan we ooit hadden kunnen verwachten. Aan Vlaamse kant lijkt men immers soms bijna een kruistocht te willen inzetten tegen alles wat ook maar wat naar Walonnië zou kunen ruiken.


We hadden natuurlijk nooit gedacht dat de Regering twee dagen ervoor zou vallen en dat een voetbalmatch zoveel in de media zou opduiken… het interview voor Radio Nostalgie (in het Frans) kan je beluisteren op de website van Actua24.

Dat op Radio2 en FMBrussel volgen later. Foto’s van de match vind je op Flickr en Facebook.

Brusselse Vlamingen

Ik moet ook altijd lachen met de Brusselse Vlamingen, die een identiteitsprobleem hebben, maar dat ze al jarenlang geen boekhandel meer hebben die kan tippen aan Tropismes (Franstalige boekhandel in de Prinsengalerij), daar liggen ze niet van wakker. Als ze maar goed kunnen eten in De Warande en daar een hoge borst opzetten.

Dorian van der Brempt, directeur van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel, in Knack.

Vlamingen zijn racistisch. Un Wallon qui travaille? Impossible!

(version française ci-dessous)

Vlamingen zijn racistisch

De Vlaming is ondernemend en woont in Antwerpen. De Vlaming is gereserveerd, afstandig en gaat vroeg slapen, want de Vlaming werkt. De Vlaming is flamingant, gaat op zondag naar de mis, staat met vendels te zwaaien aan de Ijzertoren en is, het moet gezegd, racist. De Vlaming spreekt perfect Frans alhoewel hij dat weigert te doen in Brussel.

De Waal woont in Charleroi en is meer zat dan nuchter. Laat zich liever omkopen dan hij werkt. Werk heeft hij trouwens niet, hoe zou het ook, hij is incompetent. De Waal draagt een strik en interesseert zich alleen in Vlaanderen als het om zijn werlkoosheidsvergoeding gaat of om er Frans te spreken aan de Kust.
Duitstaligen, wat zijn dat?

Clichés denkt u? Het is het beeld dat de gemeenschappen dagelijks van elkaar ophangen in de media, op school of tussen vrienden. Maar wie heeft kennissen aan de andere kant van de taalgrens? Slechts weinigen. De vaststelling is eenvoudig: we kennen elkaar niet meer. Clichébeelden versterken dat alleen maar. Hoe kan men een goed beleid voeren of bedrijf runnen als men zich steeds moet baseren op veronderstellingen? Het is onoverkomelijk dat het politiek beleid hier niet onder te lijden zou hebben.

Om de slagkracht van het beleid te versterken, om zich eindelijk te kunnen richten op de maatschappelijke uitdagingen en om een grotere gemene deler tussen de bevolking te hervinden moet de stabiliteit in het land worden hersteld door komaf te maken met een politiek van stereotypen.

De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire samenwerking, toegevoegd aan de Eerste Minister, is noodzakelijk. Een staatssecretaris die bruggen bouwt tussen het beleid van de gemeenschappen en anderzijds zij die sociale, economische of culturele verantwoordelijkheid dragen samenbrengt. Zijn belangrijkste opdracht ligt in het aanmoedigen van samenwerkingsakkoorden, zonder zich te moeien in het beleid van de gemeenschappen. De federale regering heeft immers terecht geen enkele supprematie over het beleid van de deelstaten. De staatssecretaris probeert de intercommunautaire samenwerking te stimuleren door beleidsverantwoordelijken regelmatig uitnodigen om bijvoorbeeld Europese dossiers op elkaar af te stemmem. Bij nieuwe dossiers zou in alle beleidsdomeinen een zekere reflex moeten kunnen ontstaan om na te gaan of een zekere meerwaarde zou kunnen liggen in het samenwerken met een of meerdere gemeenschappen.
Daarnaast zou deze staatssecretaris evenementen kunnen organisereren of stimuleren waarbij Duitstaligen, Franstaligen en Nederlandstaligen elkaar ontmoeten, ervaringen uitwisselen en elkaars cultuur beter leren kennen. We denken hierbij aan het versterken, of het heropbouwen, van de culturele samenwerking om uitwisselingen tussen scholen, musea… mogelijk te maken.

Om dit project te laten slagen zijn twee andere uitdagingen onontbeerlijk: een hervorming van de instellingen van de Franse Gemeenschap en de overvloed aan verkiezingen. De instellingen van de Franse gemeenschap kunnen simpeler worden georganiseerd en de verdeling van de bevoegdheden tussen het gewest en de gemeenschap gerationaliseerd. Zo ligt het voor de hand dat het activeren van werklozen sterk samenhangt met onderwijsbeleid. Op dit soort bevoegdheden zouden “super Ministers” moeten worden benoemd die zowel voor het beleid van het gewest en de gemeenschap kunnen instaan. Op deze manier kan niet alleen een meer coherente visie worden ontwikkeld, maar wordt het aantal ministers die moeten worden uitgenodigd om het beleid van de gemeenschappen op elkaar af te stemmen voor een bepaald project, sterk verminderd. Deze keuze voor een betere structuur van de instellingen komt natuurlijk volledig toe aan de Franstalige politieke actoren.
Daarnaast kan het niet langer dat elk jaar verkiezingen het beleid verlammen en moet het verschil tussen wat de deelstaten doen en wat door de federale regering gebeurt sterker in de verf worden gezet. Zo mag het niet langer mogelijk zijn om kandidaat te zijn voor én het federale én het deelstatelijke Parlement. Op deze manier moeten onze ministers minder bezig zijn met hun populariteit en meer bezig met hun beleid, en dus ook met het nagaan van de mogelijke voordelen van een intercommunautaire samenwerking.

De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire dialoog gaat niet om meer of minder België, maar om het verhogen van de efficiëntie en de samenhang van onze politiek, om het beste te halen uit elkaars verschillen en om de communautaire storm te verzachten.

Emilie Vermeiren en Frederiek Vermeulen zijn lid van cdH en CD&V en wonen elk aan een andere kant van de taalgrens. Ze schrijven dit artikel in eigen naam.

Deze tekst verscheen in De Standaard van 11 juli 2008

(nederlandse versie bovenaan)

Un Wallon qui travaille? Impossible!

Le Wallon habite Charleroi, plus attiré par la bière, les pots de vin et la malversation que par le travail. D’ailleurs, le travail il n’en a pas. C’est normal, le Wallon est incompétent. Le Wallon porte un noeud papillon et ne porte d’intérêt à la Flandre que pour le paiement de son allocation de chômage et les vacances à la mer durant lesquelles il parlera français.
Le flamand est entreprenant et habite à Anvers. Le flamand est réservé, distant et va dormir tôt et se lève tôt car le flamand travaille. Le flamand est flamingant, va le dimanche à la messe et brandit son drapeau à la tour de l’Yser et est, faut-il le rappeler, raciste. Le flamand est courageux mais terne, froid, sans humour et obsédé par les chiffres. Le flamand parle parfaitement français mais refuse de le faire à Bruxelles.
Les Germanophones? C’est quoi?

Est-ce une vision stéréotypée? Ces images sont véhiculées constamment à l’égard de l’autre communauté dans les médias, à l’école, dans les conversations… Mais qui a des connaissances de l’autre côté de la frontière linguistique? Très peu de personnes. Le constat est simple : on ne se connaît pas. Cela renforce l’appel à des stéréotypes. Comment prendre une décision sensée dans laquelle interviendrait le jugement envers l’autre communauté sur base d’une réalité méconnue? Comment peut-on affirmer que l’efficacité même de nos institutions ne s’en retrouvent pas influencée?

Dans le souci d’améliorer l’efficacité de la gouvernance et de se concentrer sur les défis de la société, il s’agit d’assurer une plus grande cohésion au sein de la population, de retrouver une certaine stabilité dans notre pays, de mettre fin à tous ces stéréotypes. La nomination d’un Secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge, attaché au Premier Ministre, semble primordial. Il devra promouvoir, favoriser et construire des ponts entre les communautés d’une part au niveau politique dans la prise de décisions et d’autre part au coeur même de la société par le biais de ses citoyens et de ses acteurs économiques, culturels, sportifs…
Sa première mission est de veiller à favoriser les accords de coopération. Il ne s’agit pas pour le Secrétaire d’Etat de s’immiscer dans la prise de décisions des Régions et des Communautés étant donné que le Gouvernement fédéral ne dispose d’aucune suprématie. Son rôle consiste à stimuler la coopération intercommunautaire en invitant les Ministres régionaux et communautaires à s’entretenir régulièrement. Le dessein est d’automatiser la réflexion quant à la plus-value ou non d’une coopération avec l’autre Communauté ou Région à propos d’un projet déterminé.
La deuxième mission du Secrétaire d’Etat est de promouvoir des événements où Francophones, Germanophones et Néerlandophones se rencontreraient, échangeraient, s’ouvriraient à la culture des autres communautés. Il s’agit par exemple de renforcer, pour ne pas dire reconstruire, les coopérations culturelles qui peuvent favoriser les échanges musicaux, musées, scolaires…

Afin qu’un tel projet puisse rencontrer le succès escompté, il faut agir également à deux autres niveaux : les institutions francophones et la périodicité des élections.
En ce qui concerne les institutions francophones, il s’agit de parvenir à les simplifier et de la sorte, rationaliser l’octroi de compétences. Il semble évident qu’une matière comme l’emploi soit liée à la politique de la formation et de l’enseignement. Il s’agit dès lors de nommer des « super Ministres » à la tête de compétences recoupant si nécessaire des matières tant régionales que communautaires. Cela permettra d’avoir une vision plus globale des problèmes, des décisions plus cohérentes mais également, de réduire le nombre de Ministres à inviter pour former des accords de coopération sur un projet spécifique. Ce choix de tendre vers une structure plus optimale appartient uniquement aux acteurs politiques francophones.
Quant à la périodicité des élections, il s’agit de diminuer leur nombre et de différencier les élections régionales et fédérales en refusant aux candidats de se présenter en même temps à ces deux élections. Il s’agit pour la classe politique de ne plus se retrouver quasi annuellement en campagne électorale. Cela permettra aux Ministres d’avoir plus de temps à consacrer à leur politique et par conséquent à l’analyse de la plus-value d’une coopération sur certains projets avec un Ministre d’une autre communauté.

La nomination d’un secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge n’engendrera pas « plus de Belgique » ou « moins de Belgique » mais augmentera l’efficacité et la cohérence de nos politiques, permettra de tirer profit des spécificités propres de chaque communauté et d’adoucir le climat intercommunautaire.

Emilie Vermeiren et Frederiek Vermeulen sont membre du cdH et CD&V. Chacun habitant d’un côté de la frontière linguistique et écrivent en leur nom propre.

Cet article était Le Soir de 14 juillet 2008.

Objectief

De een is bijziend, de ander heeft aambeien, nog een ander hangborsten, maar allen willen wij objectief oordelen.

Bob Willems - Lichtgevoelig monster

Staatsschuld

De Wetstraat heeft nog minder redenen om zich zorgen te maken. Het was niet zonder trots dat Didier Reynders gisteren bekend maakte dat het met de staatsschuld de goede richting uitgaat. Werd Guy Mathot destijds nog op hoongelach onthaald toen hij beweerde dat de schuld vanzelf gekomen was en vanzelf zou verdwijnen, Didier Reynders wordt alom gefeliciteerd. Alles is goed om de idee te verspreiden dat het land klaar is voor een volgende crisis. Het land lijkt immers nog nooit zo goed bestuurd als in de periodes zonder regering.

In schril contrast met de berichten alsof de staatsschuld de laatste jaren als sneeuw voor de zon gesmolten zou zijn, blijken de werkelijke cijfers niet hoopgevend te zijn.

Gewoonlijk wordt de staatsschuld uitgedrukt als percentage van het BBP, het bruto binnenlands product – de totale waarde van alle goederen en diensten die gedurende één jaar in het land worden geproduceerd. Op deze manier bereikte de schuld een hoogtepunt in 1993 met 137,9% van het BBP om tien jaar later te zakken onder de psychologische grens van 100%.

Op dit ogenblik schommelt de schuld rond 84% van het BBP. Maar wat als de jaarlijkse groei van het BBP het percentage meer heeft doen zakken dan een daadwerkelijke aflossing van de schuld? Als we met z’n allen meer gaan produceren stijgt het BBP, en lijkt de waarde van de schuld te zakken.

Terwijl de afgelopen jaren geen schuld werd afbetaald klopt de regering zich maar al te graag (onterecht) op de borst voor deze verwezenlijking.

De Belgische staatsschuld noteert nu 290,8 miljard euro. Wat meer is dan in 2007. Dat is, om het nog tastbaarder te maken, meer dan één miljoen Belgische frank schuld per inwoner. Kinderen inbegrepen.

En omdat lenen geld kost, betalen we met z’n allen jaarlijks bijna meer interest op de schuld af dan we uitgeven aan de sociale zekerheid en de pensioenen samen.

De jaarlijkse kost van de schuld is 8 keer hoger dan de middelen beschikbaar voor justitie. Er mag misschien geen eensgezindheid zijn over de ideale grootte van de schuld, zeker is dat zonder afbetaling van de schuld de rentelasten elk jaar blijven wegen en de marge voor nieuw beleid beperkt wordt. De beste manier om de uitbetaling van de pensioenen te verzekeren of om de inwoners van Kuregem een adequate justitie te beloven is de schuld afbouwen. Nu meteen.

Schuld afbouwen, betekent minder beleidsmarge voor politici en, volgens hen, minder populariteit. Het is dan ook makkelijker om de problemen door te schuiven naar de toekomst. Tot ons binnenkort de vergrijzing staat te wachten. Maar vergrijzing betekent niet alleen een toename van de uit te betalen pensioenen en sociale zekerheid. Vergrijzing betekent ook een kleinere actieve bevolking, minder mensen om de kosten te dragen én de nood aan een doortastend economisch beleid, met een kleiner budget.

Er is nog veel werk aan de winkel om de Wetstraat van deze uitdaging te overtuigen. Zonder bijkomende inspanningen zullen jongeren van vandaag binnenkort de rekening betalen voor het non-beleid van de afgelopen jaren.

Misschien moeten jongeren zich ook wat meer zorgen beginnen maken en hun stem laten horen in het debat rond vergrijzing. Een debat dat zich al te vaak beperkt tot pensioenen en het toenemend aantal senioren.

Het wordt tijd dat jongeren beseffen dat niet alleen de toekomst voor hen is, maar ook de financiering ervan.

Dit artikel verscheen in De Standaard van 25 juni 2008.

Een Europese Unie met eigen middelen

Door het toekennen van echte belastingsbevoegdheid aan de EU, kan ze pas echt een eigen beleid voeren. Door het overhevelen van nationale belastingen zoals de vennootschapsbelasting, kan een verhoging van de belastingdruk worden voorkomen.

Om goed te besturen, heeft elke overheid nood aan financiële middelen. Vijftig jaar na haar oprichting zijn de opdrachten van de Europese Unie sterk toegenomen, maar haar financiering gebeurt nog steeds op dezelfde manier als bij haar ontstaan.

Een van de belangrijkste taken van de Europese Raad is het bepalen van het Europese budget. Op die manier heeft de Raad een stevige vinger in de pap bij het bepalen van de middelen waarover de Europese Commissie en de andere instellingen beschikken.

Elke begrotingsronde trachten lidstaten hun positie van nettobetaler om te buigen naar die van netto-ontvanger. Op die manier hopen ze meer Europese projectsubsidies te ontvangen, dan dat ze betalen voor de werking van de Europese Unie. Vooral de Britse, maar ook de Nederlandse en Oost-Europese regeringen voeren enorme gevechten om hun bijdrages in te perken. Deze houding van de nationale regeringen is niet enkel te wijten aan de bekommernis om de binnenlandse begroting te doen kloppen. Landen die moeilijk doen over hun jaarlijkse bijdrage aan de EU, willen vaak ook de EU beperken tot een vrijhandelszone eerder dan te evolueren naar een echte federale staat. Een gebrek aan middelen staat immers garant voor een beperkt Europees beleid. Een overheid zonder geld is de facto begrensd in haar mogelijkheden. Om deze vijfjaarlijkse impasse te voorkomen en als garantie voor een sterker Europees beleid, zou de Europese Commissie een echte belastingbevoegdheid moeten krijgen.

Door het overhevelen van een nationale belasting, vermijden we dat de belastingdruk voor de burgers stijgt. Een Europese vennootschapsbelasting zou zelfs in de plaats kunnen komen van een deel van of van een volledige nationale bijdrage.

De vennootschapsbelasting sluit immers nauw aan bij de huidige bevoegdheden van de EU. Bovendien is de hoogte van de vennootschapsbelasting vaak gelijk aan de bijdrage die de lidstaten nu betalen aan de EU. Ook zou het europeaniseren van de vennootschapsbelasting een einde maken aan de competitie tussen de verschillende lidstaten om bedrijven te overtuigen hun zetel of productie te verhuizen. Door de concurrentie wordt permanent een negatieve belastingdruk gecreëerd. Nog een voordeel is dat de steeds groter wordende spanning tussen het (Belgisch) boekhoud- en fiscaal recht dan beslecht zou worden door beiden definitief van elkaar te ontkoppelen. Dit is nu al het geval in een meerderheid van lidstaten, en heeft als voordeel dat bedrijven slechts eenmaal een jaarrekening hoeven op te stellen.

Een eigen Europese fiscaliteit is niet enkel goed voor de organisatie van de Europese economie. Het zorgt er ook voor dat de Europese instellingen eindelijk een beleid kunnen voeren voor de burgers, en niet langer schatplichtig zijn aan hun broodheren, de nationale overheden. No representation without taxation?