(version française ci-dessous)
Vlamingen zijn racistisch
De Vlaming is ondernemend en woont in Antwerpen. De Vlaming is gereserveerd, afstandig en gaat vroeg slapen, want de Vlaming werkt. De Vlaming is flamingant, gaat op zondag naar de mis, staat met vendels te zwaaien aan de Ijzertoren en is, het moet gezegd, racist. De Vlaming spreekt perfect Frans alhoewel hij dat weigert te doen in Brussel.
De Waal woont in Charleroi en is meer zat dan nuchter. Laat zich liever omkopen dan hij werkt. Werk heeft hij trouwens niet, hoe zou het ook, hij is incompetent. De Waal draagt een strik en interesseert zich alleen in Vlaanderen als het om zijn werlkoosheidsvergoeding gaat of om er Frans te spreken aan de Kust.
Duitstaligen, wat zijn dat?
Clichés denkt u? Het is het beeld dat de gemeenschappen dagelijks van elkaar ophangen in de media, op school of tussen vrienden. Maar wie heeft kennissen aan de andere kant van de taalgrens? Slechts weinigen. De vaststelling is eenvoudig: we kennen elkaar niet meer. Clichébeelden versterken dat alleen maar. Hoe kan men een goed beleid voeren of bedrijf runnen als men zich steeds moet baseren op veronderstellingen? Het is onoverkomelijk dat het politiek beleid hier niet onder te lijden zou hebben.
Om de slagkracht van het beleid te versterken, om zich eindelijk te kunnen richten op de maatschappelijke uitdagingen en om een grotere gemene deler tussen de bevolking te hervinden moet de stabiliteit in het land worden hersteld door komaf te maken met een politiek van stereotypen.
De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire samenwerking, toegevoegd aan de Eerste Minister, is noodzakelijk. Een staatssecretaris die bruggen bouwt tussen het beleid van de gemeenschappen en anderzijds zij die sociale, economische of culturele verantwoordelijkheid dragen samenbrengt. Zijn belangrijkste opdracht ligt in het aanmoedigen van samenwerkingsakkoorden, zonder zich te moeien in het beleid van de gemeenschappen. De federale regering heeft immers terecht geen enkele supprematie over het beleid van de deelstaten. De staatssecretaris probeert de intercommunautaire samenwerking te stimuleren door beleidsverantwoordelijken regelmatig uitnodigen om bijvoorbeeld Europese dossiers op elkaar af te stemmem. Bij nieuwe dossiers zou in alle beleidsdomeinen een zekere reflex moeten kunnen ontstaan om na te gaan of een zekere meerwaarde zou kunnen liggen in het samenwerken met een of meerdere gemeenschappen.
Daarnaast zou deze staatssecretaris evenementen kunnen organisereren of stimuleren waarbij Duitstaligen, Franstaligen en Nederlandstaligen elkaar ontmoeten, ervaringen uitwisselen en elkaars cultuur beter leren kennen. We denken hierbij aan het versterken, of het heropbouwen, van de culturele samenwerking om uitwisselingen tussen scholen, musea… mogelijk te maken.
Om dit project te laten slagen zijn twee andere uitdagingen onontbeerlijk: een hervorming van de instellingen van de Franse Gemeenschap en de overvloed aan verkiezingen. De instellingen van de Franse gemeenschap kunnen simpeler worden georganiseerd en de verdeling van de bevoegdheden tussen het gewest en de gemeenschap gerationaliseerd. Zo ligt het voor de hand dat het activeren van werklozen sterk samenhangt met onderwijsbeleid. Op dit soort bevoegdheden zouden “super Ministers” moeten worden benoemd die zowel voor het beleid van het gewest en de gemeenschap kunnen instaan. Op deze manier kan niet alleen een meer coherente visie worden ontwikkeld, maar wordt het aantal ministers die moeten worden uitgenodigd om het beleid van de gemeenschappen op elkaar af te stemmen voor een bepaald project, sterk verminderd. Deze keuze voor een betere structuur van de instellingen komt natuurlijk volledig toe aan de Franstalige politieke actoren.
Daarnaast kan het niet langer dat elk jaar verkiezingen het beleid verlammen en moet het verschil tussen wat de deelstaten doen en wat door de federale regering gebeurt sterker in de verf worden gezet. Zo mag het niet langer mogelijk zijn om kandidaat te zijn voor én het federale én het deelstatelijke Parlement. Op deze manier moeten onze ministers minder bezig zijn met hun populariteit en meer bezig met hun beleid, en dus ook met het nagaan van de mogelijke voordelen van een intercommunautaire samenwerking.
De aanstelling van een staatssecretaris voor intercommunautaire dialoog gaat niet om meer of minder België, maar om het verhogen van de efficiëntie en de samenhang van onze politiek, om het beste te halen uit elkaars verschillen en om de communautaire storm te verzachten.
Emilie Vermeiren en Frederiek Vermeulen zijn lid van cdH en CD&V en wonen elk aan een andere kant van de taalgrens. Ze schrijven dit artikel in eigen naam.
Deze tekst verscheen in De Standaard van 11 juli 2008
(nederlandse versie bovenaan)
Un Wallon qui travaille? Impossible!
Le Wallon habite Charleroi, plus attiré par la bière, les pots de vin et la malversation que par le travail. D’ailleurs, le travail il n’en a pas. C’est normal, le Wallon est incompétent. Le Wallon porte un noeud papillon et ne porte d’intérêt à la Flandre que pour le paiement de son allocation de chômage et les vacances à la mer durant lesquelles il parlera français.
Le flamand est entreprenant et habite à Anvers. Le flamand est réservé, distant et va dormir tôt et se lève tôt car le flamand travaille. Le flamand est flamingant, va le dimanche à la messe et brandit son drapeau à la tour de l’Yser et est, faut-il le rappeler, raciste. Le flamand est courageux mais terne, froid, sans humour et obsédé par les chiffres. Le flamand parle parfaitement français mais refuse de le faire à Bruxelles.
Les Germanophones? C’est quoi?
Est-ce une vision stéréotypée? Ces images sont véhiculées constamment à l’égard de l’autre communauté dans les médias, à l’école, dans les conversations… Mais qui a des connaissances de l’autre côté de la frontière linguistique? Très peu de personnes. Le constat est simple : on ne se connaît pas. Cela renforce l’appel à des stéréotypes. Comment prendre une décision sensée dans laquelle interviendrait le jugement envers l’autre communauté sur base d’une réalité méconnue? Comment peut-on affirmer que l’efficacité même de nos institutions ne s’en retrouvent pas influencée?
Dans le souci d’améliorer l’efficacité de la gouvernance et de se concentrer sur les défis de la société, il s’agit d’assurer une plus grande cohésion au sein de la population, de retrouver une certaine stabilité dans notre pays, de mettre fin à tous ces stéréotypes. La nomination d’un Secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge, attaché au Premier Ministre, semble primordial. Il devra promouvoir, favoriser et construire des ponts entre les communautés d’une part au niveau politique dans la prise de décisions et d’autre part au coeur même de la société par le biais de ses citoyens et de ses acteurs économiques, culturels, sportifs…
Sa première mission est de veiller à favoriser les accords de coopération. Il ne s’agit pas pour le Secrétaire d’Etat de s’immiscer dans la prise de décisions des Régions et des Communautés étant donné que le Gouvernement fédéral ne dispose d’aucune suprématie. Son rôle consiste à stimuler la coopération intercommunautaire en invitant les Ministres régionaux et communautaires à s’entretenir régulièrement. Le dessein est d’automatiser la réflexion quant à la plus-value ou non d’une coopération avec l’autre Communauté ou Région à propos d’un projet déterminé.
La deuxième mission du Secrétaire d’Etat est de promouvoir des événements où Francophones, Germanophones et Néerlandophones se rencontreraient, échangeraient, s’ouvriraient à la culture des autres communautés. Il s’agit par exemple de renforcer, pour ne pas dire reconstruire, les coopérations culturelles qui peuvent favoriser les échanges musicaux, musées, scolaires…
Afin qu’un tel projet puisse rencontrer le succès escompté, il faut agir également à deux autres niveaux : les institutions francophones et la périodicité des élections.
En ce qui concerne les institutions francophones, il s’agit de parvenir à les simplifier et de la sorte, rationaliser l’octroi de compétences. Il semble évident qu’une matière comme l’emploi soit liée à la politique de la formation et de l’enseignement. Il s’agit dès lors de nommer des « super Ministres » à la tête de compétences recoupant si nécessaire des matières tant régionales que communautaires. Cela permettra d’avoir une vision plus globale des problèmes, des décisions plus cohérentes mais également, de réduire le nombre de Ministres à inviter pour former des accords de coopération sur un projet spécifique. Ce choix de tendre vers une structure plus optimale appartient uniquement aux acteurs politiques francophones.
Quant à la périodicité des élections, il s’agit de diminuer leur nombre et de différencier les élections régionales et fédérales en refusant aux candidats de se présenter en même temps à ces deux élections. Il s’agit pour la classe politique de ne plus se retrouver quasi annuellement en campagne électorale. Cela permettra aux Ministres d’avoir plus de temps à consacrer à leur politique et par conséquent à l’analyse de la plus-value d’une coopération sur certains projets avec un Ministre d’une autre communauté.
La nomination d’un secrétaire d’Etat chargé de la coopération belge n’engendrera pas « plus de Belgique » ou « moins de Belgique » mais augmentera l’efficacité et la cohérence de nos politiques, permettra de tirer profit des spécificités propres de chaque communauté et d’adoucir le climat intercommunautaire.
Emilie Vermeiren et Frederiek Vermeulen sont membre du cdH et CD&V. Chacun habitant d’un côté de la frontière linguistique et écrivent en leur nom propre.