Met de metro naar God
Begin november is altijd chrysantentijd. Het moment dat we stilstaan bij overleden vrienden en familie - alsof we dat anders niet zouden doen. Dat laatste is iets wat blijkbaar niet altijd het geval moet zijn. Eind oktober trekken de meeste families meestal naar het kerkhof om toch maar zeker te zijn dat er niemand zal moeten zeggen dat het er niet netjes bij lag.
Ook zo in Parijs op Cimetière Montparnasse. De Parisiens komen er hun familie herdenken, voor de toeristen is het niet meer dan een aanrader in hun LonelyPlanet. De meeste Parijse begraafplaatsen flirten dan ook met de grens tussen hun eigenlijke functie en toeristische trekpleister annex park. Als je op Père-Lachaise de geschiedenis van de 19de eeuw vindt, vind je op Montparnasse de 20ste eeuw. Veel bezoekers voelen zich vaak betrokken bij het werk van de overleden mannen en vrouwen en willen graag wat van zichzelf achterlaten als bewijs van hun pelgrimstocht.
Het is echter opvallend dat zowel Jean-Paul Sartre en Serge Gainsbourg hetzelfde toeristenfetisj kennen: bezoekers laten er als bewijs van hun inzet en lange reis hun metroticket achter. Wat meteen voor praktische problemen kan zorgen voor wie beide heren wel weet te appreciëren. Maar waar komt die vreemde traditie toch vandaan?
Bij Gainsbourg ligt het eigenlijk voor de hand. Le Poinconneur des Lillas, waarin de desolaatheid van de metro-kaartjesknipper in de verf wordt gezet, was zijn eerste echt hit waarmee hij doorbrak in 1957. Lucien Ginzburg, hoe Gainsbourgs eigenlijk heette, heeft de idee dat het hem allemaal meteen voor de wind ging en dat hij meteen nationale bekendheid verwierf met zijn eerste hit nooit proberen te ontkrachten. Uit recente bronnen blijkt ondertussen echter dat Gainsbourg reeds drie jaar eeder in 1954 (hij was toen 26 jaar) zijn eerste liedjesteksten zou hebben gedeponneerd.
Bij
Sartre ligt het minder voor de hand en misschien zijn er ook wel redenen om aan te nemen dat het eerder voor Simone de Beauvoir is, met wie Sartre samen ligt begraven. de Beauvoir die trouwens nog zes jaar lang naar haar voormalig levensgezel en haar toekomstig graf moet hebben kunnen kijken vanuit haar appartement aan de rue Victor Schoelcher!
De legende wil dat Sartre op een van zijn metroreizen een carnet, of hoe je in Parijs een set van tien metrotickets noemt, zou hebben gevonden en er met De contingentie: bestaan zonder er recht op te hebben de oerversie van zijn pensée de la contingence zou hebben genoteerd. Iets waar Louis Malle trouwens ook naar refereert in zijn film Ascenceur pour l’Echafaud in 1958.
