Waar blijft de Europese Commissie?
Alhoewel europarlementsleden nog maar dertig jaar rechtstreeks worden verkozen kent het verloop van de verkiezingen al een vast stramien. In veel landen zijn de verkiezingen uitgegroeid tot een soort tussentijdse populariteitspoll voor nationale politici. Niettegenstaande de financiële en economische crisis wereldwijd toelsaat lijkt het alof kiezers dit jaar meer dan ooit belang hechten aan wat er gebeurt in eigen land. De stijgende werkloosheid en economische onzekerheid doen vooral in de richting van de eigen leiders kijken. Het mag dan wel niet verwonderlijk zijn dat Berlijn, London en Parijs elk op een andere lijn zitten voor de aanpak van de crisis, het zwijgen van de Europese Commissie is dat wel. Technisch is er ondertussen het rapport van de Larosière voor de aanpak van de financiële crisis, politiek durft Barroso geen keuzes maken. Van een Commissie die op twee maanden voor verkiezingen staat zou meer durf en visie mogen worden verwacht. De toekomst van het Avondland kan toch niet afhangen van de goodwill die een Commissievoorzitter wil creeëren bij de lidstaten om zijn herverkiezing veilig te stellen?
De sleutel tot succes ligt nochtans in handen van Europa. Sinds de komst van de interne markt en het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen in 1992 hebben nationale economieën plaatsgemaakt voor één Europese economie. De economische interdependentie tussen de 27 lidstaten is te sterk om de focus alleen op eigen land te houden. Zo gaat meer dan 70% van de waarde van de Belgische uitvoer naar handelspartners binnen de Europese Unie. Het spreekt voor zich dat als de economie daar slabakt, de groei bij ons niet langer verzekerd is.
Tot voor kort was de EU nochtans ambitieus. Tegen 2010 wou het de meest dynamische en competitieve kenniseconomie ter wereld zijn. Vandaag, een jaar voor de deadline van de Lissabonstrategie hebben velen er zich al bij neergelegd dat Europa haar doelstellingen nooit zal halen. Terwijl nieuwe opkomende economieën sterk aan hun achterstand hebben gewerkt, behoudt de Verenigde Staten nog steeds de leiderspositie in onderzoek en innovatie. Volgens de OESO spendeerde de EU met 27 lidstaten minder dan 1,8% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling in 2006. In datzelfde jaar tikte de ratio in de VS af op 2,7% en 3,4% in Japan. Europa heeft het nog steeds te moeilijk om onderzoek te vertalen naar het bedrijfsleven. Het wordt dringend tijd dat de Europese Commissie de bevoegdheid krijgt om een gedurfd gemeenschappelijk wetenschapsbeleid uit te zetten. Pas dan kan de Commissie Europese initatieven waarbij instituten uit verschillende landen samenwerken stimuleren in plaats van zoals nu onderlinge concurrentie aan te moedigen. Bij de financiëring van onderzoek moet in tussentijd selectiever te werk gegaan worden en voorkeur gegeven worden aan onderzoek met sterk toepasbaar innovatiepotentieel.
Protectionisme zal ons al zeker niet uit deze crisis helpen. Beter zou werk worden gemaakt om de handel binnen de nog steeds gefragmenteerde Europese interne markt te bevorderen en te verbeteren. De administratieve, wettelijke en financiële kosten verbonden aan economische transacties tussen verschillende lidstaten is nog steeds hoog. Op deze manier wordt een (ongewenst) protectionisme gecreeërd. Tot op de dag van vandaag bestaan nog heel wat nationale reguleringen waardoor bedrijven zich verplicht voelen om verschillende dochterondernemingen op te richten in andere lidstaten, terwijl ze vaak betere troeven in handen zou hebben om te groeien vanop hun thuismarkt. Vooral op het vlak van diensten, toch goed voor 70% van de Europese economie, lijkt integratie ver weg. Zo is de verzekeringsmarkt bijvoorbeeld nog steeds in belangrijke mate gericht op de eigen nationale thuismarkt.
Europese economische integratie, en al zeker met de komst van de Oost- en Centraal-Europese lidstaten wordt door het grote publiek nochtans vaak negatief onthaald. Toch moeten we in het achterhoofd houden dat door onze bedrijven te laten investeren en groeien, we onze economie op lange termijn veel beter beschermen dan op korte termijn handelsbelemmeringen door te drukken. Wat is er trouwens mis met goedkoop producten te kunnen aankopen?
De oplossing van de economische crisis ligt dan ook niet in protectionisme, maar moet gevonden worden in op een op de lidstaten afgestemd Europees plan. Als onze Europese leiders in staat zouden zijn geweest om een gemeenschappelijk plan uit te werken (bijvoorbeeld door de belastingdruk van de armste huishoudens te laten zakken) dan zou de Europese economie een boom van jewelste hebben gekregen. Door de grootte van de eurozone en de diversiteit van haar economie zou de toename van de import al bij al beperkt gebleven zijn.
Het grootste gevaar schuilt echter nog steeds in een Unie die een gemeenschappelijke munt heeft, maar niet slaagt in economische afstemming. Er mag dan wel de Eurogroep zijn, politiek gezien heeft deze, op zijn zachtst gezegd, nog niet veel voortgebracht. Economische politiek valt niet onder het Europese gemeenschappelijk beslissingsproces en lijkt ook niet sexy genoeg om een gezamenlijke poging te ondernemen. Alhoewel het moeilijk ligt voor veel lidstaten kan de vraag worden gesteld hoe de EU een gemeenschappelijke defensie en onstabiele energievoorziening wil aanpakken als het geen eigen middelen heeft of als ze het budget ziet krimpen bij de vijfjaarlijkse begrotingsonderhandelingen. In vele gevallen is het nationaal of regionaal niveau het beste niveau voor economische politiek, het is duidelijk dat een groeiende nood bestaat aan een kader waarbinnen moet worden gewerkt. De Eurogroep moet in tijden van crisis met een gekwalificeerde meerderheid economische beslissingen kunnen nemen die door alle landen moeten worden gevolgd. Iets wat vandaag ook zonder structuur mogelijk zou moeten zijn, maar daarvoor is de sensy of urgency nog niet doorgedrongen bij onze leiders en ontbreekt consensus en leiderschap.
Een meer effectieve Europese economische politiek vraagt ook om een betere samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Eurogroep. Niet met de bedoeling om aan de onafhankelijkheid van de ECB te raken, maar om de Europese bedrijven en werknemers te steunen. Er is op dit ogenblik geen gebrek aan structureel overleg, maar een structureel gebrek aan overleg. Zelfs in de tijd van de Duitse Mark, toen de Bundesbank met een bijna heilig aureool van onafhankelijkheid door het leven ging, was de minister van Financiën één van de belangrijkste partners van de nationale bank. Op Europees niveau is dat overleg zo goed als onbestaand. Monetaire en fiscale politiek zijn complementair en een gepaste afstemming is onontbeerlijk voor een goede macro-economische politiek.
Deze afstemming zou Europa trouwens toelaten om internationaal met één stem te spreken op het vlak van intrestvoeten. De afgelopen jaren woog de waardestijging van de euro ten aanzien van de dollar enorm op de concurrentiepositie van Europese bedrijven. De ECB kan, in theorie, binnen de grenzen van de marktmechanismes tussenkomen in de muntmarkten door het verkopen van euro’s en aankopen van dollars. Alleen is het extreem moeilijk om andere centrale banken hiervan te overtuigen.
Ondertussen kiest Europa voor de makkelijkheidsoplossing en gaat er bijna vanuit dat de crisis zal gaan zoals ze gekomen is: zonder moeite. Europese leiders zeggen dat de Unie meer slagkracht zou hebben als het Verdrag van Lissabon in werking was. Terecht, maar slagkracht verwijst ook naar durf en visie. En misschien is daar op dit ogenblik nog het meest nood aan?
