Een Europese Unie met eigen middelen
Door het toekennen van echte belastingsbevoegdheid aan de EU, kan ze pas echt een eigen beleid voeren. Door het overhevelen van nationale belastingen zoals de vennootschapsbelasting, kan een verhoging van de belastingdruk worden voorkomen.
Om goed te besturen, heeft elke overheid nood aan financiële middelen. Vijftig jaar na haar oprichting zijn de opdrachten van de Europese Unie sterk toegenomen, maar haar financiering gebeurt nog steeds op dezelfde manier als bij haar ontstaan.
Een van de belangrijkste taken van de Europese Raad is het bepalen van het Europese budget. Op die manier heeft de Raad een stevige vinger in de pap bij het bepalen van de middelen waarover de Europese Commissie en de andere instellingen beschikken.
Elke begrotingsronde trachten lidstaten hun positie van nettobetaler om te buigen naar die van netto-ontvanger. Op die manier hopen ze meer Europese projectsubsidies te ontvangen, dan dat ze betalen voor de werking van de Europese Unie. Vooral de Britse, maar ook de Nederlandse en Oost-Europese regeringen voeren enorme gevechten om hun bijdrages in te perken. Deze houding van de nationale regeringen is niet enkel te wijten aan de bekommernis om de binnenlandse begroting te doen kloppen. Landen die moeilijk doen over hun jaarlijkse bijdrage aan de EU, willen vaak ook de EU beperken tot een vrijhandelszone eerder dan te evolueren naar een echte federale staat. Een gebrek aan middelen staat immers garant voor een beperkt Europees beleid. Een overheid zonder geld is de facto begrensd in haar mogelijkheden. Om deze vijfjaarlijkse impasse te voorkomen en als garantie voor een sterker Europees beleid, zou de Europese Commissie een echte belastingbevoegdheid moeten krijgen.
Door het overhevelen van een nationale belasting, vermijden we dat de belastingdruk voor de burgers stijgt. Een Europese vennootschapsbelasting zou zelfs in de plaats kunnen komen van een deel van of van een volledige nationale bijdrage.
De vennootschapsbelasting sluit immers nauw aan bij de huidige bevoegdheden van de EU. Bovendien is de hoogte van de vennootschapsbelasting vaak gelijk aan de bijdrage die de lidstaten nu betalen aan de EU. Ook zou het europeaniseren van de vennootschapsbelasting een einde maken aan de competitie tussen de verschillende lidstaten om bedrijven te overtuigen hun zetel of productie te verhuizen. Door de concurrentie wordt permanent een negatieve belastingdruk gecreëerd. Nog een voordeel is dat de steeds groter wordende spanning tussen het (Belgisch) boekhoud- en fiscaal recht dan beslecht zou worden door beiden definitief van elkaar te ontkoppelen. Dit is nu al het geval in een meerderheid van lidstaten, en heeft als voordeel dat bedrijven slechts eenmaal een jaarrekening hoeven op te stellen.
Een eigen Europese fiscaliteit is niet enkel goed voor de organisatie van de Europese economie. Het zorgt er ook voor dat de Europese instellingen eindelijk een beleid kunnen voeren voor de burgers, en niet langer schatplichtig zijn aan hun broodheren, de nationale overheden. No representation without taxation?
