De onzin van de nationale stresstest

Ierse banken maken zich zorgen. De Ierse banktoezichthouder publiceert donderdag immers het resultaat van haar stresstests die de weerbaarheid van banken tegen hypothetische externe schokken meten. Sommige banken maken zich mogelijks klaar voor een nieuwe kapitaalinjectie. Maar niet alleen Ierland moet zich zorgen maken, ook de positie van andere Europese banken is nog steeds onduidelijk.

Heel wat Europese banken hebben vandaag de dag reeds activiteiten in verschillende Euopese landen of zijn actief op mondiale schaal. Omdat het nog steeds de nationale overheden zijn die in beeld komen wanneer er iets fout loopt, hebben Europese lidstaten meermaals aangedrongen op meer van die stresstests.

En vermits het de nationale belastingbetalers zijn die de reddingsoperaties van de banken betalen kunnen die stresstest maar best op nationaal niveau worden gedaan wordt geargumenteerd. En dus worden stresstesten voorbereid door nationale toezichthouders met een minimale inbreng van de recent opgerichte Europese Bank Autoriteit (EBA).

Dit is echter niet zonder gevaar. Wanneer minder dan een halfjaar na de laatste stresstest Ierse banken in de problemen komen, was het meteen duidelijk dat de situatie van de Ierse banken een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de test. Dat heeft het vertrouwen van de markt in de test geen goed gedaan. Wat is de waarde van een test dat eerste bepaalt wie zal slagen en pas later de criteria vastlegt?

Financieel toezicht kan in een Europese eenheidsmarkt niet langer enkel en alleen gebeuren door nationale toezichthouders. Sommige Europese lidstaten zijn bewust soepeler in het toezicht en de rapportering die ze verwachten van hun bedrijven dan andere lidstaten om kapitaal aan te trekken en worden daarvoor niet op de vingers gewezen. Belastingbetalers mogen dan wel betalen voor hun banken in slechte tijden, ze genieten wel van de bijdrages van dezelfde banken tot de begroting in goede tijden. Er is dan ook een duidelijke nood om binnen de eurozone (en nog beter, binnen de Europese Unie) toezichthouders de mogelijkheid te ontnemen om zich te laten verleiden door door nationale belangen.

De markt koestert grote verwachtingen van de pas opgerichte Europese Bank Autoriteit en de vraag blijft of de nieuwe Autoriteit aan deze verwachtingen zal kunnen voldoen. EBA publiceert een nieuwe reeks stresstesten voor juni 2011 (waarvan de Ierse deel uitmaken). De vraagt blijft hoe de markt zal reageren op de nieuwe test. In elk geval zou het wijs zijn voor banktoezichthouders om banken regelmatiger onder de loep te nemen en niet alleen op vraag van politici of wanneer het de financiele markten niet voor de wind gaat. Op deze manier kan een betere test worden ontwikkeld en ontstaat er geen paniekreactie op de markt wanneer blijkt dat aan nieuwe stresstests word gewerkt.

Banktoezichthouders zullen in elk geval beter moeten doen dan in het verleden. Tijdens de discussies over de oprichting van de nieuwe Europese toezichthouders hebben nationale toezichthouders altijd op hun onafhakelijkheid blijven hammeren. In tijden waar nationale begroting onderworpen zijn aan een Europese toets, is het op zijn minst merkwaardig dat banktoezichthouders ontsnappen aan elke vorm van Europees toezicht.

Het huidige consensusmodel waarbij de stresstests worden voorbereid op nationaal niveau speelt in het voordeel van landen die zich voorbereiden op kapitaalinjecties. Het systeem laat geen ruimte voor meer transparantie, sterkere tests en het delen van informatie tussen de lidstaten. Nochtans cruciaal voor effectief toezicht.

Slagen de stresstests er niet in om de markt te overtuigen in juni 2011 dan zullen banktoezichthouders elkaar niet langer de boeman kunnen doorspelen. Hun credibiliteit staat op het spel. Net als deze van de kersverse Europese Bank Autoriteit. Loopt het wederom fout dan kunnen stresstest best meteen aan de Europese Bank Autoriteit of de Europese Centrale Bank worden toevertrouwd. Een bevoegdheid die ze eigenlijk al zou moeten hebben.

Deze bijdrage verscheen eerder in Knack.

Minder Merkel, meer Commissie

De competitiviteit van de Europese economie staat hoog op de agenda van de komende Europese top van staats- en regeringsleiders in Brussel. Op aandringen van de Duitse bondskanselier Angela Merkel wordt aan een pact gewerkt om de Europese concurrentiepositie en begrotingsdiscipline te verzekeren. De recente verkiezingsnederlaag van het christendemocratische CDU van Angela Merkel in Hamburg en de rits aankomende deelstaatsverkiezingen zullen de Europese onderhandelingen er alvast niet makkelijker opmaken. De Duitse delegatie liet nog niet echt in haar kaarten kijken maar eerder raakte al bekend dat ze van alle lidstaten van de eurozone verlangt zich te engageren om een maximale schuldgraad in hun nationale grondwet in te schrijven (zoals in Duitsland en Oostenrijk al het geval is) en om de pensioenleeftijd op trekken met de bedoeling de toekomstige vergrijzing aan te pakken.

Een ding is zeker: Duitsland wil de euro zeker niet opgeven. Berlijn beseft maar al te goed dat de Europese eenmaking tot meer heeft geleid dan vrede op het continent. De Europese constructie liet Duitsland toe zich internationaal te profileren in een wereld waar de rol van opkomende economieën zoals Brazilië en China steeds belangrijker wordt en hielp haar meer dan wat bij de hereniging van het economisch sterk verschillende Oost en West-Duitsland. Het einde van de euro zou trouwens zo goed als het einde van de Europese Unie betekenen. De lidstaten zouden verweesd achterblijven, investeerders zouden zich afkeren en China zou haar invloed nog vergroten door nog meer schuld te financieren. De door de groeiende vraag toenemende voedselprijzen op de internationale markten en politieke onzekerheid zouden bovendien de vrede op het Avondland in het gevaar kunnen brengen.

Angela Merkel beseft maar al te goed dat de huidige crisis er geen is van de euro als eenheidsmunt maar een probleem is van de nationale regeringen. Wil de Europese Centrale Bank (ECB) een eensluidend monetair beleid kunnen voeren dan moeten de Europese economieën dringend naar elkaar toe groeien. Er is niet alleen een groot verschil in welvaart (het bruto nationaal product per Luxemburger ligt tien keer hoger dan per Est), ook de economische activiteit heeft andere stimulansen nodig. Zo blijft toerisme een belangrijke sector voor Griekenland maar weet ze zich maar niet te positioneren ten opzichte van het Spaanse of Turkse toerisme en dat terwijl meer Noordelijke landen voluit de kaart van innovatie kiezen).

De bittere realiteit is dat de meeste lidstaten de laatste jaren simpelweg boven hun middelen hebben geleefd en nooit hebben gedacht dat er ooit een einde zou kunnen komen aan de jaren van economische groei. Te veel uitgaven die economisch niet verantwoord waren terwijl er geen voorzieningen voor de toekomstige kost van de vergrijzing werden aangelegd.

Duitsland, de motor van de Europese economie die in deze sombere tijden mooie groeicijfers kan voorleggen, wil echter niet langer voor de kosten opdraaien. Al bij het tot stand komen van het verdrag van Maastricht, dat de criteria voor toetreding tot de euro vastlegt, hebben de Duitsers steevast duidelijk gemaakt dat voor het opgeven van de vertrouwde Duitse Mark discipline van alle landen noodzakelijk was: een schuldgraad van maximaal 60% van het bruto nationaal product, een tekort op de begroting lager dan 3% en een inflatiecijfer dat niet meer dan anderhalve procentpunt afwijkt van de gemiddelde inflatie van de laagste drie lidstaten. Vandaag hebben 13 van de 16 eurolanden een tekort op de begroting dat oploopt boven de 3% en 9 een schuldgraad van meer dan 60%. Eerder deze maand verklaarde Jean-Claude Trichet, voorzitter van de ECB, dat de inflatie bijna het ganse jaar boven de 2% zal blijven. Niet gemakkelijk voor een volk dat in de geschiedenisles altijd duidelijk werd gemaakt tot welke afschuwelijke situaties de inflatie als gevolg van de herstelbetalingen na het verdrag van Versailles kon leiden en die dan ook altijd voor prijsmatiging bepleit.

De plannen van Merkel verdienen alle lof maar doen niet meer dan de tering naar de nering zetten. Op Europees niveau hebben we jarenlang algemene prijsstijgingen onder de 2% kunnen houden door producten te importeren aan prijzen waartegen we ze zelf nooit zouden kunnen produceren; zelfs niet met de laagste Europese lonen uit sommige Oost-Europese landen. Willen we ons huidig socio-economisch model behouden dan is het duidelijk dat de toekomst van Europa niet exclusief kan liggen in de productie van goederen waar lageloonlanden een competitief voordeel hebben.

Meer begrotingsdiscipline inschrijven in het verdrag van Lissabon is echter niet meer dan ons neerleggen bij de situatie en zal ons niet helpen onze welvaart te verzekeren. Merkel probeert de schade te beperken zonder ambitieus te zijn. De voorstellen voor meer Europese integratie zijn dan ook eerder uit Duitse noodzaak en misschien opvallender dan de voorstellen zelf is het feit dat de voorstellen voor meer Europese integratie van nationale regeringen komen en niet worden aangestuurd door de Europese Commissie. Dacht iedereen nog dat Jose Manuel Barosso tijdens zijn eerste ambtstermijn probeerde de lidstaten te paaien om zijn herverkiezing te garanderen dan blijkt vandaag dat zijn commissie niet meer is dan wat Romano Prodi er eerder van gemaakt heeft: een goedbetaalde praatbarak.

De Europese Commissie is niet langer de creatieve groep die gedurfd maar wel weloverwogen de bakens uitzet voor een betere toekomst voor de Europeanen. De kritiek die de Europese Unie de laatste jaren heeft moeten incasseren is dan ook niet geheel onterecht. De Unie weet beter dan wie ook dat Europa op een scharnierpunt staat en moet er naar handelen. Of we kiezen voor een één gemaakt Europa en durven de problemen aan te pakken of laten de Unie verglijden tot niet meer dan een vrijhandelszone waar alles gaat om meer vrijhandel zonder politieke waarden. De breuklijn tussen de voor- en tegenstanders van de toetreding van Turkije tot de EU valt dan ook niet voor niets nauw samen met zij die de Unie als een vrijhandelszone zien en zij die pleiten voor meer politieke integratie. Voormalig eerste minister Paul-Henri Spaak waarschuwde destijds dat zij die economische problemen proberen op te lossen zonder aandacht te hebben voor de onderliggende politieke uitdagingen niet meer doen dan toekomstige problemen ceëeren.

De verwachtingen van de Europese Commissie liggen nochtans voor de hand. De interne markt en de vrijheid van personen, kapitaal goederen en diensten waarmee Jacques Delors de Europeanen naar 1992 deed verlangen moet dringend weer van onder het stof worden gehaald. De interne markt was niet alleen de voorbode van de euro, ze heeft als geen ander bijgedragen tot de creatie van een Europese identiteit en de groei van de Europese economie.

Het concept van de eengemaakte Europese markt is vandaag zo goed als helemaal uit het politiek debat verdwenen. Willen we ons welvaartsmodel behouden zullen we niet alleen de overheidsuitgaven moeten beperken maar ook de economische groei aanzwengelen. Daarvoor moeten we de Europese economie (nog) aantrekkelijker maken op mondiaal niveau. Al kort na de tweede wereldoorlog besefte de Europese Commissie maar al te goed dat de kleine landbouwbedrijven die Europa kenmerkten niet zouden kunnen overleven met de harde concurrentie op de wereldmarkt. Iets wat vandaag de dag nog altijd het geval is. Een systeem van subsidies moest de boeren aanzetten om op hun productie stop te zetten of om op grotere schaal te gaan produceren tegen lagere prijzen.

Bijna de helft van het jaarlijks budget van de Unie gaat vandaag nog steeds naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Hoe onmenselijk het ook mag klinken voor de vele landbouwers en zonder het strategisch belang te ontkennen van een goede voedselvoorziening voor de Europeanen kunnen we zo niet verder. De economische toegevoegde waarde komt in eerste instantie niet langer uit de landbouwsector.
Willen we onze welvaart en welzijn verzekeren dan moet de Unie dringend het budget radicaal herzien: prioriteit voor hoger onderwijs, innovatie en ontwikkeling van de armere regio’s. Groei creëren we niet alleen met programma’s maar ook door de vele hindernissen die er tussen de lidstaten bestaan te beperken. Zo is de Europese dienstenmarkt volledig gefragmenteerd. Heel wat Europese bedrijven besteden hun call-center uit aan Indische bedrijven met werknemers die perfect Nederlands spreken, nemen Pakistaanse collega’s ’s nachts de IT-projecten van Belgische bedrijven over maar kan je geen autoverzekering nemen in België bij een Franse verzekeraar.

De interne markt moet dan ook dringend van onder het stof worden gehaald. Handel stimuleren door het wegnemen van onnodige belemmeringen zoals in 1992. Het vrij verkeer van personen is vrij wel ontwikkeld; vrij reizen binnen de Unie is voor velen een vanzelfsprekendheid geworden. Voor de aan- en verkoop van goederen is dat al minder het geval. De ganse Europese Unie betaalt dan al wel al meer dan veertig jaar belasting op de toegevoegde waarde (BTW), het percentage verschilt van land tot land, net al de basis waarop het bedrag wordt berekend. Om nog maar niet van de harmonisatie van de vennootschapsbelasting te spreken. Lidstaten verankeren Europese richtlijnen op hun manier in hun vertrouwde cocon van nationale wetgeving zonder te bekommeren om internationale evoluties en helpen zichzelf daarmee alleen op kort termijn.

De schrik van heel wat KMOs voor de interne markt is daar bij ongegrond. Voor echt kleine ondernemingen ligt een belangrijke taak weggelegd op het lokale vlak terwijl middelgrote ondernemingen zich vandaag niet verder kunnen ontplooien door al te veel belemmeringen. Een Europees profiel is noodzakelijk voor bedrijven die op mondiaal vlak concurreren in een economie die 24u per dag presteert.

Stuk voor stuk domeinen waarop initiatief van de Europese Commissie wordt gewacht. Lang voor het verdrag van Lissabon hadden we in dezelfde stad ooit de ambitie uitgesproken om de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie te worden. Misschien moeten we de Lissabon-strategie oppoetsen en kiezen voor economische groei. Een nieuwe strategie met nieuwe voorstellen, die Europeanen aanzet om te ondernemen en om initiatief te nemen. Een strategie die kiest voor hoger onderwijs, innovatie, het gebruik van schone energie en levenskwaliteit. Een Commissie die nadenkt, lidstaten overtuigt en die de strategie doet naleven. Kortom een Commissie die durft na te denken waarom het goed leven is in Europa. Want belangrijker dan de uitgaven beperken en Angela Merkel tevreden stellen is onze groei te verzekeren. Daarbij zal geen verdrag kunnen helpen maar is leiderschap voor nodig. En net daar heeft Europa nood aan.

Met de metro naar God

Begin november is altijd chrysantentijd. Het moment dat we stilstaan bij overleden vrienden en familie - alsof we dat anders niet zouden doen. Dat laatste is iets wat blijkbaar niet altijd het geval moet zijn. Eind oktober trekken de meeste families meestal naar het kerkhof om toch maar zeker te zijn dat er niemand zal moeten zeggen dat het er niet netjes bij lag.

Ook zo in Parijs op Cimetière Montparnasse. De Parisiens komen er hun familie herdenken, voor de toeristen is het niet meer dan een aanrader in hun LonelyPlanet. De meeste Parijse begraafplaatsen flirten dan ook met de grens tussen hun eigenlijke functie en toeristische trekpleister annex park. Als je op Père-Lachaise de geschiedenis van de 19de eeuw vindt, vind je op Montparnasse de 20ste eeuw. Veel bezoekers voelen zich vaak betrokken bij het werk van de overleden mannen en vrouwen en willen graag wat van zichzelf achterlaten als bewijs van hun pelgrimstocht.

Het is echter opvallend dat zowel Jean-Paul Sartre en Serge Gainsbourg hetzelfde toeristenfetisj kennen: bezoekers laten er als bewijs van hun inzet en lange reis hun metroticket achter. Wat meteen voor praktische problemen kan zorgen voor wie beide heren wel weet te appreciëren. Maar waar komt die vreemde traditie toch vandaan?

Bij Gainsbourg ligt het eigenlijk voor de hand. Le Poinconneur des Lillas, waarin de desolaatheid van de metro-kaartjesknipper in de verf wordt gezet, was zijn eerste echt hit waarmee hij doorbrak in 1957. Lucien Ginzburg, hoe Gainsbourgs eigenlijk heette, heeft de idee dat het hem allemaal meteen voor de wind ging en dat hij meteen nationale bekendheid verwierf met zijn eerste hit nooit proberen te ontkrachten. Uit recente bronnen blijkt ondertussen echter dat Gainsbourg reeds drie jaar eeder in 1954 (hij was toen 26 jaar) zijn eerste liedjesteksten zou hebben gedeponneerd.

Bij Sartre ligt het minder voor de hand en misschien zijn er ook wel redenen om aan te nemen dat het eerder voor Simone de Beauvoir is, met wie Sartre samen ligt begraven. de Beauvoir die trouwens nog zes jaar lang naar haar voormalig levensgezel en haar toekomstig graf moet hebben kunnen kijken vanuit haar appartement aan de rue Victor Schoelcher!

De legende wil dat Sartre op een van zijn metroreizen een carnet, of hoe je in Parijs een set van tien metrotickets noemt, zou hebben gevonden en er met De contingentie: bestaan zonder er recht op te hebben de oerversie van zijn pensée de la contingence zou hebben genoteerd. Iets waar Louis Malle trouwens ook naar refereert in zijn film Ascenceur pour l’Echafaud in 1958.

Sarkozy, c’est le seul qui a été obligé de passer par l’Elysée pour devenir Premier Ministre.

Jean-Louis BORLOO, Ministre d’État, Ministre de l’écologie, de l’énergie, du développement durable et de l’aménagement du territoir

Zet een kaars voor je raam vannacht

Renault Traffic, bouwjaar begin jaren negentig. Overwegend van witte kleur.

Nooit gedacht dat ik in Fankrijk zoveel aandacht zou hebben voor witte Franse bestelwagens. Tot het theaterfestival in Avignon. Halverwege de nacht, na een avondje theater, stappen we langs de stadsomwalling, die ook als parking dienst doet, terug naar het hotel. Een volslanke dame van om en bij de vijftig houdt karig de wacht bij haar witte bestelwagen. Naïef als we zijn bemerken we dat men niet vaak vrouwen met zo’n bestelwagen ziet; en al zeker niet alleen bij nachte. Nu ja, het leek ons dan ook een stevige dame te zijn met een pak levenservaring zoals dat heet.

Naïviteit moet echter geen moment van zwakte zijn maar een karaktereigenschap, een manier om naar de wereld te kijken. Wanneer een hondertal meter verder een charmante dame ons toe lacht, begroeten we haar in de gedachte dat er toch wel veel gebeurt op zo’n parking wanneer de nacht gevallen is.

Tot we iets verder het licht zien… Een straatmadelief doet haar wagen als een echte marketeer eruit springen, wat met zoveel concurrentie broodnodig is. Zoals Jozef en Maria het licht moeten hebben gevolgd trekt ze de aandacht van argeloze toeristen met een uniek theelichtje voor het stuur. Hoe kwamen die dames op het idee? Schuimen ze alle Franse festivals af op zoek naar hun klanten zoals er zich niemand vragen stelt bij de zoveelste friet- of pizzatent op festivals? Een mens leeft immers niet van eten alleen.

Ondertussen weten we meer. Je vindt ze niet alleen in Avignon, ook in Parijs en allicht in alle andere steden. Er staat er altijd eentje geparkeerd aan Porte Dauphine. Geen kaars voor haar raam, maar een groot pluchen hart. Toen het deze zomer heel warm was stond de deur even open. Het werd haar te heet… en ik kon zo nieuwsgierigheid als een kleine jongen die een kerstgeschenk krijgt binnenkijken. Het zijn niet langer ordinaire bestelwagens, er staat een bed en ze hebben er alles om gasten te ontvangen of om te overleven… Jammergenoeg is dat allicht ook het enige wat de meesten onder hen hebben.

Waar blijft de Europese Commissie?

Alhoewel europarlementsleden nog maar dertig jaar rechtstreeks worden verkozen kent het verloop van de verkiezingen al een vast stramien. In veel landen zijn de verkiezingen uitgegroeid tot een soort tussentijdse populariteitspoll voor nationale politici. Niettegenstaande de financiële en economische crisis wereldwijd toelsaat lijkt het alof kiezers dit jaar meer dan ooit belang hechten aan wat er gebeurt in eigen land. De stijgende werkloosheid en economische onzekerheid doen vooral in de richting van de eigen leiders kijken. Het mag dan wel niet verwonderlijk zijn dat Berlijn, London en Parijs elk op een andere lijn zitten voor de aanpak van de crisis, het zwijgen van de Europese Commissie is dat wel. Technisch is er ondertussen het rapport van de Larosière voor de aanpak van de financiële crisis, politiek durft Barroso geen keuzes maken. Van een Commissie die op twee maanden voor verkiezingen staat zou meer durf en visie mogen worden verwacht. De toekomst van het Avondland kan toch niet afhangen van de goodwill die een Commissievoorzitter wil creeëren bij de lidstaten om zijn herverkiezing veilig te stellen?

De sleutel tot succes ligt nochtans in handen van Europa. Sinds de komst van de interne markt en het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen in 1992 hebben nationale economieën plaatsgemaakt voor één Europese economie.  De economische interdependentie tussen de 27 lidstaten is te sterk om de focus alleen op eigen land te houden. Zo gaat meer dan 70% van de waarde van de Belgische uitvoer naar  handelspartners binnen de Europese Unie. Het spreekt voor zich dat als de economie daar slabakt, de groei bij ons niet langer verzekerd is.

Tot voor kort was de EU nochtans ambitieus. Tegen 2010 wou het de meest dynamische en competitieve kenniseconomie ter wereld zijn. Vandaag, een jaar voor de deadline van de Lissabonstrategie hebben velen er zich al bij neergelegd dat Europa haar doelstellingen nooit zal halen. Terwijl nieuwe opkomende economieën sterk aan hun achterstand hebben gewerkt, behoudt de Verenigde Staten nog steeds de leiderspositie in onderzoek en innovatie. Volgens de OESO spendeerde de EU met 27 lidstaten minder dan 1,8% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling in 2006.  In datzelfde jaar tikte de ratio in de VS af op 2,7% en 3,4% in Japan.  Europa heeft het nog steeds te moeilijk om onderzoek te vertalen naar het bedrijfsleven. Het wordt dringend tijd dat de Europese Commissie de bevoegdheid krijgt om een gedurfd gemeenschappelijk wetenschapsbeleid uit te zetten. Pas dan kan de Commissie Europese initatieven waarbij instituten uit verschillende landen samenwerken stimuleren in plaats van zoals nu onderlinge concurrentie aan te moedigen. Bij de financiëring van onderzoek moet in tussentijd selectiever te werk gegaan worden en voorkeur gegeven worden aan onderzoek met sterk toepasbaar innovatiepotentieel.

Protectionisme zal ons al zeker niet uit deze crisis helpen. Beter zou werk worden gemaakt om de handel binnen de nog steeds gefragmenteerde Europese interne markt te bevorderen en te verbeteren. De administratieve, wettelijke en financiële kosten verbonden aan economische transacties tussen verschillende lidstaten is nog steeds hoog. Op deze manier wordt een (ongewenst) protectionisme gecreeërd. Tot op de dag van vandaag bestaan nog heel wat nationale reguleringen waardoor bedrijven zich verplicht voelen om verschillende dochterondernemingen op te richten in andere lidstaten, terwijl ze vaak betere troeven in handen zou hebben om te groeien vanop hun thuismarkt. Vooral op het vlak van diensten, toch goed voor 70% van de Europese economie, lijkt integratie ver weg. Zo is de verzekeringsmarkt bijvoorbeeld nog steeds in belangrijke mate gericht op de eigen nationale thuismarkt.

Europese economische integratie, en al zeker met de komst van de Oost- en Centraal-Europese lidstaten wordt door het grote publiek nochtans vaak negatief onthaald. Toch moeten we in het achterhoofd houden dat door onze bedrijven te laten investeren en groeien, we onze economie op lange termijn veel beter beschermen dan op korte termijn handelsbelemmeringen door te drukken. Wat is er trouwens mis met goedkoop producten te kunnen aankopen?

De oplossing van de economische crisis ligt dan ook niet in protectionisme, maar moet gevonden worden in op een op de lidstaten afgestemd Europees plan.  Als onze Europese leiders in staat zouden zijn geweest om een gemeenschappelijk plan uit te werken (bijvoorbeeld door de belastingdruk van de armste huishoudens te laten zakken) dan zou de Europese economie een boom van jewelste hebben gekregen. Door de grootte van de eurozone en de diversiteit van haar economie zou de toename van de import al bij al beperkt gebleven zijn.

Het grootste gevaar schuilt echter nog steeds in een Unie die een gemeenschappelijke munt heeft, maar niet slaagt in economische afstemming. Er mag dan wel de Eurogroep zijn, politiek gezien heeft deze, op zijn zachtst gezegd, nog niet veel voortgebracht. Economische politiek valt niet onder het Europese gemeenschappelijk beslissingsproces en lijkt ook niet sexy genoeg om een gezamenlijke poging te ondernemen. Alhoewel het moeilijk ligt voor veel lidstaten kan de vraag worden gesteld hoe de EU een gemeenschappelijke defensie en onstabiele energievoorziening wil aanpakken als het geen eigen middelen heeft of als ze het budget ziet krimpen bij de vijfjaarlijkse begrotingsonderhandelingen. In vele gevallen is het nationaal of regionaal niveau het beste niveau voor economische politiek, het is duidelijk dat een groeiende nood bestaat aan een  kader waarbinnen moet worden gewerkt. De Eurogroep moet in tijden van crisis met een gekwalificeerde meerderheid economische beslissingen kunnen nemen die door alle landen moeten worden gevolgd. Iets wat vandaag ook zonder structuur mogelijk zou moeten zijn, maar daarvoor is de sensy of urgency nog niet doorgedrongen bij onze leiders en ontbreekt consensus en leiderschap.

Een meer effectieve Europese economische politiek vraagt ook om een betere samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Eurogroep. Niet met de bedoeling om aan de onafhankelijkheid van de ECB te raken, maar om de Europese bedrijven en werknemers te steunen. Er is op dit ogenblik geen gebrek aan structureel overleg, maar een structureel gebrek aan  overleg. Zelfs in de tijd van de Duitse Mark, toen de Bundesbank met een bijna heilig aureool van onafhankelijkheid door het leven ging, was de minister van Financiën één van de belangrijkste partners van de nationale bank. Op Europees niveau is dat overleg zo goed als onbestaand. Monetaire en fiscale politiek zijn complementair en een gepaste afstemming  is onontbeerlijk voor een goede macro-economische politiek.

Deze afstemming zou Europa trouwens toelaten om internationaal met één stem te spreken op het vlak van intrestvoeten. De afgelopen jaren woog de waardestijging van de euro ten aanzien van de dollar enorm op de concurrentiepositie van Europese bedrijven. De ECB kan, in theorie, binnen de grenzen van de marktmechanismes tussenkomen in de muntmarkten door het verkopen van euro’s en aankopen van dollars. Alleen is het extreem moeilijk om andere centrale banken hiervan te overtuigen.

Ondertussen kiest Europa voor de makkelijkheidsoplossing en gaat er bijna vanuit dat de crisis zal gaan zoals ze gekomen is: zonder moeite. Europese leiders zeggen dat de Unie meer slagkracht zou hebben als het Verdrag van Lissabon in werking was. Terecht, maar slagkracht verwijst ook naar durf en visie. En misschien is daar op dit ogenblik nog het meest nood aan?

EP 2009 Vote: Beyond the Sugar Cube

‘If Europe were united in the sharing of its common inheritance there would be no limit to the happiness, prosperity and glory which its 300 million or 400 million people would enjoy.’ Opening words taken from Winston Churchill’s famous speech held in Zurich in 1946. Shortly after, Europe started its most prestigious project ever: the voluntary economic and political co-operation of European countries.

But Europe has since then become the victim of its own success. Sixty years after its creation the Union is not longer seen as a common tool for longstanding peace, but rather known for it being the biggest consumer market. Economic integration, intended as a solid basis for political integration, has become the primary trigger for success. However, the recent financial crisis has shown that political commitment is insurmountable for any common market. Challenges for the future are not few for an ever-expanding EU with a declining economy: turbulent geo-political situations at its outside borders and an ever postponed debate on its energy supply, to name a few.

The future is in the hands of the European Parliament, of the European citizens. It shall decide whether Europe will choose for the future, for the younger generations, by taking the lead in the challenges we are facing. A Europe based on common values and the belief that it is possible to work for a better society with solidarity among all Europeans.

Trade has altered all discussions over the last decade and the Union has more and more watered down towards a free trade association of rich western countries. But European citizens feel Europe is about more than just economics, it is about culture, common values and a shared inheritance.

2009 should be the year that Europe will strengthen its ambitions. Not primarily by changing its institutions but by changing its mindset. The year European leaders will convince us that all is possible as long as we believe in it – as long as we go for it. Together we are strong.

 

This article won the fourth price of the Bulgarian Gateway Europe Initiative in March 2009.

De Partij die niet denkt.

2009 wordt volgens Marianne Thyssen het jaar van de veerkracht. Het jaar waarin we zullen tonen geraakt, maar niet gekraakt te zijn; het jaar waarin we naar de Vlaamse verkiezingen trekken met… ja, met wat eigenlijk?

Door de kartelbreuk moest het septembercongres plaatsruimen en zijn we niet langer ‘klaar voor de wereld’. Al bij al niet zo erg want de teksten die in aanloop naar het congres werden verspreid waren niet meteen de vrucht van grote creativiteit te noemen. Ze vormden zo’n aaneenschakeling van vaak al gerealiseerde faits-divers dat Wouter Beke in allerijl nog aan een overkoepelende tekst moest werken. Ondertussen staan we op vier maand voor de verkiezingen en is het nog steeds niet duidelijk waar we voor willen gaan. De afgelopen weken sloeg men ons om de oren met op het rentmeesterschap geënte concepten dat CD&V verantwoordelijkheid zou nemen. Verantwoordelijkheid voor het land en voor onze toekomst. Maar welke toekomst?

Meer dan ooit lijkt het succes van de partij gebaseerd op “Gut ist was dem Volke nützt”. Ingegeven door opiniepeilingen hebben we verdedigd waar een grootst mogelijk aantal Vlamingen zich achter kon scharen. Leiders als ware slaven van de vox populi. Politiek ver weg van idealen en maakbare samenlevingen. Politiek zonder dromen of toekomstproject.

Nochtans waren ooit alle andere paratijen jaloers op de publicaties van, de toen nog unitair georganiseerde, CEPESS - de studiedienst van de christendemocratische familie. Vlamingen en Franstaligen hadden elk hun tijdschrift en de opgenomen stukken werden vertaald zodat beide kanten van de taalgrens wisten waar de ander voor stond. Standpunten die trouwens vaak de vrucht waren van continu overleg tussen beide families, tot op het niveau van de partijvoorzitter.
CEPESS splitste in 2001 en vervelde aan Vlaamse zijde tot CEDER, de naam studiedienst niet waardig. CEDER slaagde er in al de tijd nooit in om controversiële of lange termijn studies uit te brengen. Ingegeven door schrik voor een te onafhankelijke studiedienst die ondoordachte uitspraken van de partijtop aan de kaak zou stellen stimuleerde hij het afglijden van de denktank tot persoonlijk kabinet van de voorzitter. Daarin trouwens sterk gesteund door Yves Leterme. Tekenend was dan ook de tussenkomst van voormalig directeur, Isabel Dupré, op het deelnamecongres voor de regering Leterme in Maart 2008. Een goede en welgesmaakte tussenkomst maar voor de goede verstaander was het meteen duidelijk dat Dupré niet meer dan een Chinese vrijwilliger was die mee de meute moest overtuigen. De website van CEDER was, op een boekbespreking van Wouter Beke’s boek na, de afgelopen maanden en jaren oorverdovend stil. Enkele weken terug werd ondervoorzitter Beke aangesteld als overgangsdirecteur van CEDER.

Belgen zijn goed in toepassen, maar hebben vaak weinig originaliteit. En dat geldt met name ook voor het politieke. Veel goed bestuur, weinig bezieling. In elk dossier wordt er wel een oplossing gevonden waar rekening wordt gehouden met ieders kleine bekommernis. Maar van doordacht denkwerk is amper sprake. De financiering van de gemeenschappen en de gewesten, hervorming van justitie, het achterhaalde onderscheid tussen bedienden en arbeiders… Stuk voor stuk belangrijke dossiers die op ons afkomen maar waarvoor we geen oplossing kunnen aanreiken. Naar aanloop van de verkiezingen worden steeds grote beloftes gedaan, maar nooit heeft men een oplossing achter de hand. Ook vandaag de dag wordt de financiële crisis in ons land met het aloude recept aangepakt: blussen waar het rookt. Toch zou het voor de mensen beter zijn dat de ongezonde autoproducenten verdwijnen en niet zij die het minste subsidies van de Staat krijgen. Misschien is het politieke milieu gewoon een afspiegeling van een maatschappij waar het ideaal niet langer de norm is voor de praxis, maar waar de praxis tot het ideaal werd herleid.

De partij lijkt niet alleen niet open te staan voor lange termijn denkwerk. Ze onthoudt zich tevens carrement van de overtuiging van haar leden. CD&V zit vol met geëngageerde leden. Mensen die met hun twee benen in de wereld staan in de sociale, culturele of economisch sector. Uit alle sectoren bezitten we een schat aan informatie. Toch kent de partij geen enkel forum waar leden nieuwe creatieve ideeën kunnen aanbrengen of waar ze mee kunnen helpen aan nieuwe wetsvoorstellen. De partijtop legt jaarlijks heel wat gewaardeerde bezoeken af aan lokale afdelingen, maar zeggen dat CD&V een partij is die door haar basis wordt gevormd zou de waarheid onrecht aan doen zijn. Herinnert u zich nog wanneer de leden hun inspraak hebben gehad over de partijkoers die werd gevoerd tijdens de moeilijke onderhandelingen in de zomer van 2007?

Andere partijen doen niet altijd veel beter, toch valt van hen wat te leren. Aan Vlaamse kant hebben de socialisten het tijdschrift Samenleving&Politiek en ziet het er naar uit dat de leden meer dan vroeger inspraak zullen hebben bij het tot stand komen van partijstandpunten. De liberale familie richtte onlangs nog de liberale labo’s op en publiceert regelmatig het opiniemagazine ‘Open’. Maar misschien ligt het beste voorbeeld nog bij onze Waalse zusterpartij. Niettegenstaande de financiële moeilijkheden waarmee de kleine partij werd geconfronteerd heeft haar studiedienst nooit opgehouden interessante publicaties uit te brengen. Joëlle Milquet wil haar partij dan ook midden de mensen plaatsen om samen de toekomst in handen te nemen. Aan het begin van het nieuwe jaar stuurde cdH geen goede wensen naar haar leden, maar vroeg hen wat hun wensen waren. Eind januari kreeg elke Brusselaar een enquête in de bus naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het Hoofdstedelijk Gewest om te peilen welke stad de Brusselaars willen. Geen maand gaat er voorbij of de leden worden uitgenodigd op een bijeenkomst om de partijtop te helpen standpunt bepalen.

Aan Vlaamse zijde levert de christendemocratische familie, als grooste partij, de eerste minister van het land en de minister-president. Ze kiest voor verantwoordelijkheid en wil vorm geven aan de maatschappij. Ook in de vele steden en gemeenten waar ze in de meerderheid zit. Het enig opiniërend tijdschrift dat er bestaat is een hoop in zwart-wit gekopieerde stensels uitgegeven door de jongeren. Moet er meer worden gezegd?

Laat ons denken en dromen.

Dit artikel verscheen in DMK Februari 2009.

Binnenkort allemaal zat op het werk

Minister van Ondernemen en Vereenvoudigen Van Quickenborne wil de maaltijdcheque vervangen door een chipkaart. Maaltijdcheques zijn omwille van hun belastingvoordeel een interessant extra-legaal voordeel voor zo wat één miljoen Belgen – zo’n 40 procent van de werknemers. Ze werden in 1965 ingevoerd voor de werknemers die niet in het eigen bedrijfsrestaurant terecht kunnen. Vandaag is de cheque vooral populair omdat er geen inkomstenbelasting of sociale zekerheid op betaald moet worden.
Met de cheque van 6 euro waarvan de werknemer zelf nog 1,09 euro moet bijleggen trekt hij naar de supermarkt of naar de plaatselijke horeca om zich te voeden. In de meeste supermarkten kan hij er ondertussen trouwens meer dan alleen voedsel mee kopen.

Het lijkt wel of de regering en het patronaat de kleine arbeider in de watten wil leggen en zeker wil zijn dat ze toch voldoende sterk in hun schoenen zouden staan. Waarom moet de werknemer verplicht worden om een bepaald deel van zijn inkomen aan voedsel te besteden? Zijn we ondertussen niet in staat om het eigen geld te beheren en te zien wat we er het liefst mee zouden kopen? Stel je eens voor dat je baas plots beslist aandelen te kopen in een bedrijf dat waspoeder maakt en zijn werknemers zou uitbetalen in cheques om waspoeder te kopen? Klinkt niet zo apetetijtelijk moet ik zeggen.

In plaats van over te stappen naar een chipkaart zou de minister beter beslissen om het systeem van de maaltijdcheques te laten vallen. De regering zou het systeem beter vervangen door een belastingvrije som voor die werknemers. De cheque is al lang niet meer van deze tijd en de kostprijs van de organisatie is aandoenlijk. Het verdwijnen van de cheque zou pas een echte vereenvoudiging zijn voor de bedrijven en een hoop papierwerk definitief vaarwel zeggen. Dan zouden buurtslagers, kleine restaurants en cafés ook niet moeten investeren in de aankoop van een betaalterminal. Winkeliers die vandaag de dag trouwens ook al moeten betalen voor het inruilen van deze cheques. Vaak grote bedragen voor kleinere buurtwinkels.

De regering zou het vrijgekomen budget beter gebruiken voor het optrekken van de belastingvrije som voor de werknemer. Een maatregel die niet alleen socialer zou zijn, het zou werknemers ook met serieux behandelen. Want als men wil voorkomen dat we ons maandloon in het café zouden opdrinken en niet meer genoeg hebben om te eten, dan schiet ze haar doel alvast voorbij.

Wat deed de rector voor de studenten? (interview Veto)

Marc Vervenne zal de geschiedenis ingaan als de eerste rector aan de K.U.Leuven die de studenten medebestuur gaf in alle organen van de universiteit. Wie kan hem hierover beter evalueren dan ex-voorzitters van de Leuvense Overkoepelende KringOrganisatie (LOKO) die zelf tot in de hoogste organen van de universiteit zijn doorgedrongen?

Jeroen Vandromme was de laatste voorzitter van de Kringraad — de raad die zich bezighield met onderwijsbevoegdheden voor de totstandkoming van het centralistische LOKO. In zijn ambtsperiode vonden de vorige rectorsverkiezingen plaats. “Met de Kringraad hebben we toen een profiel opgesteld waar de toekomstige rector aan moest voldoen. Eén van de zaken die naar voren kwam was studenteninspraak, een ander de richting die de kandidaten uitwilden met de universiteit. Vervenne scoorde op beide vlakken goed.”

“Ook Bart De Moor deed het niet slecht, maar het was not done om opnieuw een burgerlijk ingenieur te verkiezen na acht jaar Oosterlinck. Die had in zijn laatste ambtsjaren nog een grote structuurverandering doorgevoerd. Professoren waren op zoek naar rust.” Frederiek Vermeulen, twee jaar geleden voorzitter van LOKO, vult aan: “Een rector is er niet louter voor de studenten, hij is er voor de hele universiteit.”

“Na Oosterlinck hadden we nood aan iemand die besluiten kon nemen op een pacifistische manier. Daar was Vervenne wel goed in. Hij wil iedereen in het gesprek horen.” meent Vandromme. Vermeulen kan zich daar in vinden. “Als je iets aankaart bij Vervenne, dan doet hij er iets mee. Negen kansen op tien stuurt hij je door naar zijn kabinetschef Freddy Jochmans. Vervenne heeft een heel fundamentele visie op het rectorschap. De rector vervult een ceremoniële functie, hij laat zich omringen met mensen die inhoudelijk sterk in hun schoenen staan. Hij luistert naar wat je zegt en hij heeft de juiste dynamische verbetenheid. Alleen zou hij hun beleid af en toe meer samen mogen brengen.”

Monddood

In het jaar van Vandromme werd de rectorsevaluatie uitgetekend. “De bedoeling van Oosterlinck was uiteraard om een rector aan te stellen voor een periode van acht jaar. Je ziet dat duidelijk in de huidige procedure: iedereen gaat er van uit dat Vervenne aangesteld blijft als rector, de evaluatie houdt geen rekening met nieuwe rectorsverkiezingen. Ik stel me daar vragen bij.” Vermeulen bevestigt: “Ik heb de decanenevaluatie meegemaakt en die stelde niets voor. Hopelijk wordt de rectorsevaluatie meer dan een formaliteit.”

In tegenstelling tot de verwachtingen is Vandromme niet helemaal overtuigd van medebestuur in alle organen van de universiteit. “Als student moet je niet alles te zeggen hebben. Vakbonden zitten toch ook niet in de ondernemingsraad? Je moet een plaats behouden om te argumenteren. Met Oosterlinck was dat perfect mogelijk.” Her en der wordt wel eens geopperd dat het medebestuur de studenten monddood heeft gemaakt — je kan niet klagen over beslissingen die je zelf mee hebt uitgetekend. “De perceptie van het studentenleven is sterk veranderd. Het rectoraat bezetten of betogen is onmogelijk geworden,” bevestigt Vandromme.
Vermeulen vindt dat niet erg. “Ik houd van de studentenbeweging, maar ze is voor mij geen vakbond. Op een bepaald moment moet je durven zeggen ‘we gaan er voor’. Je wil als intellectueel worden beschouwd. Betogen, betogen. De generatie van mei ‘68 kwam inderdaad meer op straat. Geen enkele andere generatie zaagt vandaag de dag zo hard als zij: “wij waren beter.” Men vergeet wel eens dat toentertijd de meerderheid thuis op kot zat te kaarten. Waar zijn zij nu ons land in de penarie zit?”

Bedrijfswereld

Vermeulen was de tweede voorzitter van LOKO die het Gemeenschappelijke Bestuur — het hedendaagse College van Bestuur — mocht bijwonen. “Daar worden de fundamentele discussies gevoerd. Het is schitterend dat je op gelijke hoogte wordt behandeld als de echte beleidsmakers. Een dergelijk verworven recht mag je niet opgeven.”
Over de functie van het bestuurscollege is Vermeulen duidelijk. “Het bestuurscollege denkt vooruit, de Academische Raad denkt achteruit. In de Academische Raad gaat ‘t altijd over het verleden. In het College van Bestuur komen nu ook steeds meer vertegenwoordigers te zitten. Dat is nefast voor haar werking.”

Is een student wel capabel om mee te draaien in een dergelijk orgaan? De leden van de raad van bestuur in de bedrijfswereld draaien vaak al enkele decennia mee in het bedrijfsleven. “Goh, ja, de eerste keer op de Raad van Bestuur zit je daar tussen ondermeer Karel Vink, Frans Van Daele, Jef Roos. Die mannen discussiëren niet over details, maar over de toekomst van de universiteit.” zegt Vermeulen. “‘Het is een hele andere manier van vergaderen. Je moet je dossiers kennen. Als je een punt hebt ,wordt er naar je geluisterd. Ik denk niet dat die verantwoordelijkheid ondraagbaar is.”