Veertig dagen voor de Europese verkiezingen

Deze week komt het Europees Parlement voor de laatste keer samen voor de stembusslag van 25 mei 2014. Voor grote debatten is het te laat, maar dat neemt niet weg dat er nog enkele belangrijke stemmingen op de agenda staan: ondermeer over de bankenunie. In Straatsburg worden vooral dossiers afgerond en standpunten opgeschreven voor het volgende Parlement.

Als donderdag de zitting wordt afgerond staat niets nog in de weg om de Europese campagne van start te laten gaan. Dat alle Europese partijen de afgelopen maanden voor het eerst hun kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie bekend hebben gemaakt, heeft voorlopig weinig potten gebroken. De kandidaten reizen zoals verwacht doorheen Europa om daarbij netjes alle lidstaten aan te doen voor een gelegenheidsbezoek. Op enkele leuke selfies op de sociale media na heeft dat tot nu weinig substantieels opgeleverd.

De Europese Unie staat nochtans voor grote uitdagingen de komende jaren: hoe ze onze economisch huishouden terug op de sporen krijgen, hoe we dat democratischer kunnen laten functioneren en de relaties met onze nabije buren.

De economische vooruitzichten zijn voor de meeste lidstaten nog steeds weinig optimistisch en het blijft afwachten wat de impact zal zijn van de asset quality review waarmee de Europese Centrale Bank (ECB) later dit jaar de kwaliteit van de balansen van de belangrijkste Europese banken onder de loep neemt.

Landen zoals Griekenland en Spanje hebben de afgelopen jaren sterk moeten besparen en daardoor is elke groei in de kiem gesmoord. Dat we dat scenario niet willen herhalen in andere lidstaten is begrijpelijk, maar de werkelijke vraag is natuurlijk waar de economische groei om onze welvaartsstaat te onderhouden dan wel vandaan zal komen. Heel wat van onze maakindustrie en de bijhorende jobs is de afgelopen decennia verdwenen richting het Oosten terwijl de Verenigde Staten het veel beter doen op vlak van innovatie en productontwikkeling. Wat worden de Europese sectoren van de toekomst? Hoe gaan we de concurrentie met de rest van de wereld aan? Bovendien zijn we wat onze energie betreft afhankelijk van andere landen, niet-Europese landen. Nemen we daar genoegen mee of zijn we bereid meer te betalen voor eigen Europese alternatieve energiebronnen? Of opteren we alsnog voor het goedkopere nucleaire energie?

Ten tweede is er het democratisch deficit. Zestig jaar geleden bracht de Europese Unie door economische samenwerking landen samen die ooit elkaars vijanden waren. Europa was de hoop voor de toekomst, een positief vooruitzicht na jaren van ellende. Vandaag is economisch integratie nog steeds de belangrijkste Europese drijfveer, maar een positieve dynamiek is ver te zoeken. De Europese Unie staat vandaag synoniem met besparingen en voor de man in de straat kiest Europa liever de kant van de grote bedrijven dan werk te maken van een sociaal Europa. Het verschil tussen de vrije markt met 28 lidstaten en de consequenties van de gemeenschappelijke munt voor de eurozone blijkt bovendien steeds vaker dansen op een slappe koord. Hoe zorgen we ervoor dat de Europeanen bij het Europese project betrokken blijven? Is daar een nieuw verdrag voor nodig?

Ten derde is er het Europees buitenlandbeleid. Weinig sexy voor de doorsnee burger, maar dichterbij dan ooit. De komende vijf jaar zullen allicht niet worden gedomineerd door exotische veiligheidsraadvergaderingslanden, maar door een debat over de grenzen van de Europese Unie. Hoe gaan we om met onze buren? Zeker als ze van strategisch belang zijn.

Oekraïne staat in brand, maar het Westen reageert amper op de Russische demarches om haar eigen energievoorraad niet in het gedrang te brengen. Zwitserland maakte eerder dit jaar een gebalde vuist naar Europa: wel economische samenwerking, neen aan vrij verkeer van personen en aan lidmaatschap. Turkije, een belangrijke partner voor de stabiliteit in het Midden-Oosten en een belangrijk exportmarkt voor heel wat Europese bedrijven, draait na jaren wachten op lidmaatschap steeds vaker de rug naar Brussel. Hoe gaan we om met onze buurlanden als er binnen Europa geen steun is voor een verdere uitbreiding en als er geen geld meer is om uit te delen aan onze buurlanden om ze te vriend te houden? Laten we Rusland haar expansietocht verder zetten?

Vandaag resten ons nog veertig dagen voor de Europese verkiezingen. Laat ons hopen dat verkiezingen over meer dan de beste selfie gaan en dat er eindelijk wat debat komt over wat ons te wachten staat. Ik ben alvast benieuwd naar het antwoord op deze vragen.

Dit artikel verscheen in Knack online.

Zonder duidelijke keuze van Europa staat Oekraïne er alleen voor tegen Rusland

Zondag kwamen zo’n honderdduizend pro-Europabetogers op straat in Kiev om te demonstreren tegen het besluit van de Oekraïense regering om het door de EU voorgestelde akkoord voor nauwere samenwerking niet te ondertekenen. Maandag was er zelfs sprake van gewelddadige onlusten.

Europa probeert al langer, tot grote onvrede van de Russische president Vladimir Poetin, de voormalige Sovjet-staat tot zich te binden door partnerschappen door lokale investeringsprojecten te ondersteunen. Nu zou daar nog een stevig vrijhandelsakkoord boven op komen.

Maar zo’n samenwerking ligt veel minder voor de hand dan Europa denkt. De EU mag dan wel de bescherming van een groot blok bieden en een objectieve bondgenoot zijn om de onafhankelijkheid van het land te waarborgen, het lidmaatschap heeft zo ook zijn nadelen. Toetreden tot de EU is een werk van lange adem en het volledige acquis communautaire opnemen in de nationale wetgeving kost veel geld en moeite.

Bovendien heeft het Europese project de laatste jaren veel aan aantrekkingskracht verloren bij de Oostelijke EU-buurlanden. Zij zien immers ook dat sinds het ontstaan van de economische crisis de steun binnen Europa voor een nieuwe uitbreiding verder afneemt en dat de solidariteit tussen de Europeanen openlijk in twijfel wordt getrokken. De inspanningen die van kandidaat-lidstaten worden gevraagd neemt steeds toe zonder enige garantie ooit volledig bij de club te mogen toetreden.

Wat de afgelopen dagen in Oekraïne is gebeurd, toont aan dat Europa op zoek moet naar een nieuwe manier van samenwerken met haar oostburen en dus het debat over de grenzen van de Unie aan moet durven te gaan. Een Europa dat uit angst haar grenzen niet durft te bepalen, bewijst de nieuwe democratieën slechts lippendienst en herleidt samenwerking tot loze woorden. Door de Brussels onmacht dreigt Oekraïne, gekneld tussen de EU en grootmacht Rusland, op de spreekwoordelijke slachttafel geofferd te worden.

Europa mag dan wel het grote woord voeren, zonder duidelijke keuze van haar kant staat Oekraïne er alleen voor om grote broer Rusland op afstand te houden. Als Rusland Oekraïne, dat de gevolgen van de economische crisis voelt en met een enorm begrotingstekort kampt, geld en goedkope gas aanbiedt, is de keuze voor de op een herverkiezing hopende president Janoekovytsj snel gemaakt.

Ondanks de onrust en het protest is de kans heel groot dat Janoekovytsj in het zadel zal blijven. Telkens de oppositie te populair wordt, maakt de president politieke tegenstanders monddood door hen simpelweg politieke rechten te ontnemen. Vraag maar aan voormalig premier Timosjenko die tevergeefs wacht op de toelating om in een Duits ziekenhuis verzorgd te worden. Corruptie is schering en inslag en wie niet tot de clan van de president behoort, is overgeleverd aan de willekeur van de politie. En op een rechtvaardige justitie moet men al zeker niet rekenen.

Wellicht is dat nog de belangrijkste reden voor de aanhoudende betogingen. Het is niet om een vrijhandelsakkoord met de EU te steunen dat honderdduizend mensen op straat komen, ook al was er een tekort aan Europese vlaggen. Ze willen eerst en vooral leven in een vrij en democratisch land. Een Europees land. Misschien moet men in Brussel daar eens over nadenken.

Deze bijdrage verscheen ook in De Tijd (26 November 2013).

Leden is één zaak, kiezers een andere

Wie de dag van een CD&V-congres de krant openslaat, weet dat iemand het einde van de Vlaamse christendemocratie zal aankondigen. Dit weekend was dat niet anders. Nu de partij in Lommel verzamelde voor een vernieuwingscongres verklaarde de Leuvense hoogleraar Marc Hooghe dat “de CD&V de CVP niet meer is en dat ook ook nooit meer zal worden” (DS 16 november).

Gelukkig maar zou ik zeggen. De CVP werd in 2001 ten grave gedragen in Kortrijk en is niet meer. Ik ben ondertussen meer dan tien jaar lid van CD&V en heb, net als mijn generatiegenoten, de CVP nooit gekend, laat staan dat ik iemand ben tegengekomen die naar die partij terug wil.

Voor Hooghe maakt het steeds afkalvende en verouderende ledenbestand duidelijk dat CD&V haar ambities om een brede volkspartij te zijn beter opbergt. Maar wat zegt het ledenaantal over de invloed van een politieke partij vandaag de dag? Wat is een partij met al die leden als er geen kiezers zijn, als ze niet aansluit bij wat er leeft bij de mensen? Het engagement anno 2013 is niet dat van de jaren zestig: kiezers blijven niet langer hondstrouw aan een totaalpakket maar bepalen hun stem in functie van wat ze op dat moment belangrijk vinden. Het is aan de politiek om daar op in te spelen.

Een volkspartij moet ramen en deuren opengooien en iedereen uitnodigen om samen het programma te schrijven. Een rol die traditioneel door de zuilen werd vervuld. Maar nu de eens zo machtige zuilen nog slechts een schim zijn moet de partij zelf op zoek gaan naar de kiezers waarmee de politiek het contact verloren heeft. Vooral in de steden, binnen de allochtone gemeenschap en bij arbeiders. Want de leden waar Hooghe het over heeft, zijn al te vaak hoogopgeleide blanke mannen. Wie altijd naar dezelfde mensen luistert, zal steeds hetzelfde verhaal brengen.

Laat dat net zijn wat Wouter Beke het afgelopen jaar heeft gedaan: de kloof met de politiek verkleinen door andere mensen te betrekken op hun manier. Een model waarbij individuele initiatieven aan elkaar worden gelinkt en rond thema’s samen worden gebracht. Leden verkopen de partij en maken nieuwe mensen warm voor ons verhaal. Ze twitteren hun boodschap, ze volgen anderen en re-tweeten wat ze belangrijk vinden, wat iedereen moet horen, wat in het programma moet. Door het congres open te stellen voor mensen die willen dat er wat verandert, dat ook zeggen, maar daarom niet vele uren in klassieke werkgroepen willen zitten. En dat ook voor de 16-jarige meisjes waar CD&V volgens onderzoek van Marc Hooghe razend populair is.

Volgens Hooghe ligt de missie van de partij in de positie die ze in het partijenlandschap inneemt. Als beleidspartij en op basis van haar bestuurskracht kan ze “toonaangevend” zijn in Vlaanderen. Versta: CD&V is nodig om te regeren. Dat is uiteraard een mooi compliment en een positie die andere partijen ons wellicht benijden maar fundamenteel schort er iets aan die redenering. Hooghe lijkt op die manier namelijk te pleiten voor een terugkeer naar de CVP. De partij waarvan werd gezegd dat alles haar om het even was behalve de macht. De hoge scores uit die periode willen we natuurlijk graag terugzien maar voor een partij die louter tactisch-strategisch het verschil kan maken, daar moet CD&V voor passen. Meer nog: ze is opgericht om net het tegendeel te realiseren.

Operatie-Innesto resulteert net in een sterk verhaal dat CD&V opnieuw een programmapartij maakt. Een partij die “toonaangevend” is als het aankomt op frisse, nieuwe ideeën over hoe onze samenleving er moet uitzien. Daar zijn we alvast in geslaagd. Nu nog de commentaarschrijvers en vooral de kiezers overtuigen.

Een ingekorte versie van dit stuk verscheen ook in De Standaard.

Europa is er niet voor de Amerikanen

Guy Verhofstaft roept deze week Amerikaanse hulp in om werk te maken van een Europese politieke unie (DS 13 November 2013). De ex-premier heeft dan wel gelijk dat de Europese monetaire unie een sterke federatie nodig heeft, daarvoor de hulp van de Amerikanen inroepen is het symbool bij uitstek van een besluiteloos Europa dat haar toekomst niet in eigen handen kan nemen.

 

De Verengide Staten zijn waarschijnlijk de grootste supporters van het Europese integeratieproject. Op de cruciale ogenblikken hebben ze de Europese landen de afgelopen zeventig jaar het nodige extra duwtje in de rug gegeven voor meer samenwerking. Denken we maar aan het Marshall-plan kort na de Tweede Wereldoorlog of aan het NAVO-lidmaatschap van de nieuwe Oost-Europese landen na de val van Berlijnse muur. Allemaal zeer positief, maar dat maakt hen geen wilde weldoeners. De Amerikaanse buitenlandpolitiek vertrekt altijd vanuit haar eigen belang. Het land wil het beste voor de wereld, maar dat betekent vooral dat wat goed is voor Amerika per definitie ook goed is voor de rest van de wereld.

 

En dat is vandaag niet anders. Dat men zich aan de andere kant van de Atlantische oceaan zorgen maakt over de toekomst van de Europese Unie is vooral ingegeven door economische en politieke besognes. Twijfel over het voortbestaan en de waarde van de euro voeden economische onzekerheid en belemmeren dus de Amerikaanse uitvoer. Washington beseft maar al te goed dat het uiteenvallen van de eurozone niet zonder gevolg zou zijn voor de politieke eenmaking en de pro-Amerikaanse koers die Europa vandaag vaart.

 

En laat dat net niet de reden zijn om aan een begrotingsunie te werken. Populisten, nationalisten en eurosceptici zijn over gans Europa in opmars. Weinigen pleiten voor het opdoeken van de Europese samenwerking, velen willen een ander Europa dan dat we vandaag kennen. En dat hoeft niet te verwonderen. Keer op keer brengt Europa hetzelfde discours: dat  we langer moeten werken, meer uren moeten kloppen en minder moeten verdienen. Dat kapitaal belangrijker is dan arbeid. Een samenleving op zijn Amerikaans met lange werkdagen en weinig sociale zekerheid waar Europeanen terecht neen tegen zeggen. Europeanen verkiezen over het algemeen iets minder individuele rijkdom maar meer quality time voor vrienden, familie en cultuur.

 

Ja, Europa heeft een politieke unie nodig. Niet om de Amerikanen te helpen, maar om de Europese beschaving te redden. Schaalvoordelen hebben de winst en invloed van grote bedrijven laten toenemen, terwijl de concurrentie onder de werknemers steeds groter werd. Om tegengewicht te bieden aan de financiële markten en om onze welvaartsstaat te verzekeren hebben we nood aan een politieke unie die haar lidstaten niet verder de dieperik in duwt. Een europese economische regering dat werk maakt van sociale minima en investeert in onderwijs, talen en mobiliteit. Een unie die werklozen uit Griekenland aan jobs helpt in Duitsland. Dat Europees geld in Spaanse projecten investeert. Kortom een politieke unie die een positief Europees project kan uitwerken in plaats van steeds verder te besparen.

 

Verhofstaft heeft gelijk. Europa heeft een politieke unie nodig. Niet eentje dat door de knieën gaat voor Amerikaanse belangen, maar inzet op haar belangrijkste troef: de Europese welvaartsstaat.

 

De eurozone heeft een budget nodig

Buiten mag het dan nog flink nazomeren, voor het eerst sinds juni brengt Herman Van Rompuy deze week de Europese regeringsleiders samen in Brussel voor de zogenaamde herfsttop. Nu er hier en daar positieve economische berichten opduiken en er niet langer openlijk wordt gesproken over het ontploffen van de eurozone, lijken de bijeenkomsten van de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders terug te hervallen in hun oorspronkelijke saaiheid. Ver weg van alle media-aandacht. De agenda, en dus ook de verwachtingen, oogt zeer bescheiden.

En toch. Stel dat er tijdens het debat over de toekomst van de Europese Monetaire Unie (EMU) en economische en sociale politiek eens échte keuzes worden gemaakt.

Europa bevindt zich immers op een kantelmoment. Terwijl Angela Merkel glansrijk de verkiezingen won, beseft ze maar al te goed dat ze niet voor eeuwig en altijd kan blijven toekijken op de begrotingsdiscipline van de andere eurolanden. Meer permanente structuren dringen zich op.

Het Duitse blad Der Spiegel berichtte eerder deze week al dat Merkel zou overwegen om de eurogroep een expliciet mandaat als waakhond op de nationale begrotingen toe te kennen. De Duitse redenering is zo klaar als pompwater: landen die zich verbranden moeten op de blaren zitten en kunnen niet rekenen op steun.

In een Europa dat door de nationale hoofdsteden wordt aangedreven is een politiek van “ieder zijn miserie” misschien niet abnormaal. Maar het gebrek aan Europese visie duwt probleemlanden wel steeds verder de dieperik in. De andere eurolanden zouden zich moeten verzetten tegen het Duitse dictaat van ieder-voor-zich. Ze kunnen bijvoorbeeld een budget voor de eurozone eisen.

Een eurozone-budget zou Europa eindelijk toelaten de sociale gevolgen van de crisis op te vangen Een eurozone-budget zou Europa eindelijk toelaten om de sociale gevolgen van de crisis op te vangen en plannen te ontwikkelen die de groei stimuleren. De eurogroep zou dan als economische regering kunnen investeren in maatregelen die werklozen uit de zogenaamde probleemlanden helpen knelpuntberoepen (zoals verpleegkundigen) in te vullen in ander landen. Op termijn zou dit kunnen evolueren naar een Europese werkloosheidsvergoeding die de mobiliteit doorheen Europa stimuleert, Europa tastbaar maakt, dichter bij de mensen brengt en die de druk op de nationale begrotingen wegneemt. Een eigen budget zou Europa toelaten om de Europa 2020-strategie uit te werken met concrete initiatieven. Om onze welvaart te verzekeren moet Europa samen met de lidstaten keuzes durven maken en duidelijk maken op welke domeinen we ons in de toekomst willen inzetten.

De Europese interne markt met het vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en kapitaal heeft ons de afgelopen decennia een ongekende economische welvaart bezorgd. Maar tegen welke prijs? Schaalvoordelen hebben de winst en invloed van grote bedrijven laten toenemen, terwijl de concurrentie onder de werknemers steeds groter werd. Europese burgers stellen vast dat het sociaal model steeds verder afgekalfd wordt, maar dat het oorverdovend stil blijft in Brussel. Europa moet dan ook dringend investeren in de Europeanen en niet alleen in haar bedrijven. Onderwijs, mobiliteit en talenkennis zijn prioriteiten.

Vraag is of er deze week tijd zal zijn voor dit soort voorstellen. Het Duitse voorstel is immers aanlokkelijk voor iedereen. Het brengt zoden aan de dijk, maar alleen op korte termijn. Het laat de lidstaten toe om baas te blijven in eigen land en om de ogen te sluiten voor de groeiende sociale miserie op het Europese continent.

 

Deze bijdrage verscheen eerder in Knack

De strijd om Europa: Barosso warmt ook eigen troepen op

Met zijn State of the Union heeft Commissievoorzitter Barosso het laatste politieke jaar vóór de verkiezingen van mei 2014 formeel op gang getrokken. De inzet van de pan-Europese stembusslag is het Europese project zelf, zo zei hij woensdag in Straatsburg. Het zal de man in de straat wellicht worst wezen maar voor Europa-watchers is zo’n ritueel niet onbelangrijk. Waarnemers lezen op en tussen de lijnen van de speech, schatten de temperatuur in tussen de verschillende EU-instellingen en liggen op vinkenslag om “nieuws” (een koerswijziging? een politieke bocht?) te dedecteren.

 

Wat doorgaans aan de aandacht ontsnapt, is dat de boodschap van de Commissievoorzitter ook voor intern gebruik bedoeld is. Per slot van rekening staat Barosso aan het hoofd van een heus leger aan Europese ambtenaren die hij allemaal op de een of andere manier moet aansturen maar met wie hij nauwelijks rechtstreeks kan communiceren, tenzij via de media. Kabinetsleden en topambtenaren worden uiteraard tijdig betrokken bij wat de baas van de Europese Commissie zal vertellen. Maar voor wie als ambtenaar wil vatten wat Barosso’s plannen precies inhouden, is de letter én de geest van de toespraak essentieel.

 

Zo viel allereerst op dat er geen koerswijziging in de aanpak van de eurocrisis zit aan te komen. Toegegeven, het zou pas nieuws geweest zijn mocht Barroso hebben gepleit tegen besparingen en voor meer schulden. Voor een nieuwe aanpak – hoe de solidariteit in Europa tussen lidstaten en burgers verder te versterken – is het dus wachten tot wanneer een nieuwe Commissie aantreedt. Barosso hield wel vast aan zijn pro-Europese voorstellen in de strijd tegen de crisis: meer Europa is nodig, onder meer wat de bankenunie betreft. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit cruciaal dossier voor de toekomst van de eurozone na de Duitse verkiezingen zijn definitief beslag krijgen.

 

Tegelijk doorbrak Barroso een taboe, toch gezien de reputatie van de Europese Commissie. Het terug afstaan van bevoegheden aan het nationale niveau, of beter: het inperken van de drang om alles en iedereen in de lidstaten in een strak keurslijf van Europese regelgeving te stoppen, is niet langer onbespreekbaar. Barosso verwoordde het als volgt: “big on big things and small on small things”, zo moet de Unie werken en zo moet ze dienstbaar zijn aan de burgers van de verschillende EU-landen. Dat is uiteraard gemakkelijker gezegd dan gedaan – veel van de vermaledijde regeltjes komen er precies op vraag van de nationale hoofdsteden – en “big” en “small” zegt natuurlijk niets over de kwaliteit van regelgeving die de Unie aflevert. Belangrijker dan het aantal is de kwaliteit van de Europese wetten en het besluitvormingsproces. Want de EU bevoegdheden ontnemen, zoals de Britten en de Nederlanders voorstellen, lijkt eerder op een verborgen pleidooi voor een zwakkere Unie en vooral voor een minder slachtkrachtige Europese Commissie.

 

Barosso riep ten slotte ook op om na te gaan wat de Europeanen werkelijk samen willen doen. Back to the basic question als het ware. Zowaar, de geest van Delors waaide doorheen het halfrond al hadden enkele Europarlementsleden dat zo niet begrepen. Zij verweten Barosso net geen of onvoldoende aandacht te hebben voor de “pioneering spirit” van het Europese integatieproces. In elk geval, het is ook een boodschap die binnen de Europese Commissie op veel sympathie kan rekenen. Met pietluttige details en technische discussies zullen we de hearts and minds van de mensen niet winnen voor Europa. Daar heb je een nieuw, groter verhaal voor nodig dat aansluit bij de leefwereld van de mensen. En dus zonder het specifieke jargon waarop de EU-instellingen een patent lijken te hebben.

 

Barroso’s oproep was dus niet alleen aan de Europarlementsleden en de lidstaten gericht. Met een beetje goede wil en met al de expertise en kunde die de Europese Commissie in huis heeft, moet hij ook het reservoir binnen zijn eigen instelling kunnen aanboren om terug aan te sluiten bij de kern van de zaak: een Unie van Europese burgers die in vrede, veiligheid en welvaart samenleven. Die keuze is politiek maar kan onmogelijk realiteit worden zonder de steun van binnenuit.

 

Zijn expats niet goed genoeg voor Vlaanderen?

Belgen in het buitenland mogen stemmen voor de Kamer maar niet voor het Vlaams Parlement, het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Parlement.

Met het einde van de vakantie neemt de Wetstraat een lange aanloop naar de moeder aller verkiezingen, maar voor de gewone man in de straat is het nog ettelijke maanden wachten vooraleer de oproepingsbrief in de bus valt.

Niet zo voor de Belgen in het buitenland. Die ontvangen vanaf deze week van hun ambassade of consulaat een “inschrijvingsformulier” zodat ze op 25 mei 2014 hun stemverplichting kunnen nakomen.

Want ook in het buitenland ontkomen de Belgische landgenoten niet aan de opkomstplicht. De lange procedure dient vooral om te weten waar en hoe iemand zijn of haar stem zal uitbrengen: op de ambassade of op het consulaat, in de voormalige woonplaats in België, per brief, bij volmacht…

Het is nog maar de vijfde keer dat Belgen in het buitenland aan de verkiezingen kunnen deelnemen. De invoering in 1999 was wegens de grote administratieve rompslomp geen succes (slechts 118 Belgen kleurden een bolletje rood).

Een vereenvoudigde procedure bracht evenwel soelaas want in 2003 en in 2007 namen meer dan 100 000 Belgen in het buitenland deel aan de verkiezingen. In 2010 waren dat er slechts 42 089 maar dat had vooral te maken met het vervroegde karakter van de verkiezingen.

Niets belet dat in 2014 de expats opnieuw massaal hun stem zullen uitbrengen. De cijfers zijn trouwens niet min. Zo’n 100 000 kiezers vormt al gauw het equivalent van een stad als Brugge.

Wat meteen opvalt aan de brief, is dat er alleen sprake is van “federale wetgevende verkiezingen”. Inderdaad, Belgen in het buitenland mogen stemmen voor de Kamer maar niet voor het Vlaams Parlement, het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Parlement.

Kwatongen zouden kunnen beweren dat “Belgen in het buitenland” in de eerste plaats Belgen zijn en weinig last hebben van communautaire kwesties. Vlamingen of Franstaligen, het maakt plots niet zo veel meer uit. Een beetje zoals op vakantie: buiten België voelt men zich plots Belg.

Maar de zaak is natuurlijk fundamenteler dan dat. Feitelijk wordt aan een niet onaanzienlijk deel van de kiesgerechtigden de boodschap gegeven dat hun stem op regionaal vlak niet meetelt, letterlijk en figuurlijk. Dat is principieel onaanvaardbaar voor een moderne democratie anno 2013, toch? En al zeker voor een land dat verregaand is gefederaliseerd.

De sterk uitgebouwde deelstaten met sinds 1995 rechtstreeks verkozen parlementen hebben een hele lijst bevoegdheden die ook voor de Belgen in het buitenland van belang zijn. Zo lijkt het wel alsof al die staatshervormingen aan de Belgen in het buitenland zijn voorbijgaan.

Maar ook niet-Belgische EU-burgers kunnen niet deelnemen aan de regionale verkiezingen, terwijl ze dat wel kunnen voor de lokale en de Europese verkiezingen. Een beetje eigenaardig toch, als je weet dat velen in ons land wonen, werken, hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen, belastingen betalen enz. Allemaal minstens gedeeltelijk regionale bevoegdheden.

Het zou België sieren indien ze niet alleen aan haar eigen onderdanen in het buitenland de rechten zou toekennen die alle Belgen “in het binnenland” genieten maar ook aan alle niet-Belgische EU-burgers de mogelijkheid zou geven zich democratisch uit te spreken over het federale en het regionale bestuur.

Benieuwd welke partijen die bijzondere blijk van gastvrijheid en inburgering zullen opnemen in hun kiesprogramma voor 2014.

Deze bijdrage verscheen in Knack online.

De weg van Lagarde

Vandaag reikt de KU Leuven een eredoctoraat uit aan Christine Lagarde, de managing director van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Leuven is Oslo niet (de thuisstad van de Nobelprijs voor de Vrede) en dus wordt de bul niet aan een instelling — het IMF — maar aan een persoon — Lagarde — toegekend. Evenmin is Leuven Rome want ook voor heiligverklaringen is men aan het verkeerde adres. De academische gemeenschap looft de persoonlijke verdiensten en capaciteiten van Lagarde, één van de hoofdrolspelers van de crisis, eerst als Frans minister van Financiën en sinds de val van DSK als baas van het IMF. Dat ze een vrouw is, dat niet verbergt (‘Met Lehman Sisters was er nooit een crisis geweest’), een opvallende en verfrissende verschijning is temidden van de overdosis grijze maatpakken tijdens de zoveelste cruciale vergadering over de redding van de euro en als Française haar ‘mannetje’ staat in de door het andere geslacht gedomineerde Angelsaksische financiële wereld, is uiteraard meegenomen.

Brandweervrouw of pyromaan

We mogen in de eurozone in zekere zin van geluk spreken dat iemand als Lagarde het IMF leidt. Met een niet-Europeaan die in Washington de lakens uitdeelt, zou het wellicht kwaad kersen eten zijn. Want het IMF is broodnodig gebleken in de damage control na de ravage die de crisis in Europa heeft aangericht. Zo vormt het IMF samen met de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie de zogenaamde trojka die moet toezien op de besparings- en hervormingsmaatregelen in Griekenland, Ierland en Portugal. Volgens sommigen speelt het IMF hier een perfide rol: omdat het door te hameren op austerity de crisis alleen maar erger maakt, omdat het IMF alleen oog heeft voor de markten en de sociale gevolgen negeert en dus medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de crisis, of omdat het IMF er een bedenkelijk palmares op na houdt in tal van ontwikkelingslanden en crisishaarden. De realiteit is wellicht genuanceerder. Met het permanente noodfonds voor eurolanden in crisis (het ‘European Stability Mechanism’) heeft de EU naar het voorbeeld van het IMF haar eigen Europees Monetair Fonds opgericht. En in de onderhandelingen met onder meer Griekenland heeft vooral het IMF zich recentelijk het soepelst opgesteld, met haar pleidooi om het land extra tijd te geven om haar staatshuishouden op orde te stellen.

Waarom is het IMF die mening toegedaan, afgezien van het feit dat ze zoals elke schuldeiser graag haar geld wil terugzien? Omdat belastingen verhogen zonder tegelijk zuurstof te geven aan de economie (de belastingsbasis) suïcidaal is. Inderdaad, de plaat van óf bezuinigen óf investeren is stilaan grijsgedraaid en niemand heeft de indruk dat de economische toestand er intussen op vooruit is gegaan. Maar een ‘derde weg’ is mogelijk: enerzijds besparen op de uitgaven van de overheid en anderzijds de economie aanzwengelen. Dat laatste kan door een beleid te voeren dat ondernemers aanzet om te investeren en dat duurzame effecten (met name jobcreatie) genereert zonder een hold-up te plegen op de publieke financiën. Dat kan onder meer door nieuwe sectoren te steunen, arbeiders te herscholen of door de concurrentie aan te moedigen waar monopolies het dagelijkse leven duur maken.

Redder Europa

Kan Europa daarbij helpen? Op dag één van het drama in Genk was ze een gemakkelijke schietschijf, maar het is niet toevallig dat op dag twee de politici op de eerste rij staan om datzelfde Europa ter hulp te roepen. De Europese Commissie heeft inderdaad een Globalisatiefonds ter beschikking dat financiële steun kan toekennen voor de herscholing van arbeiders. De automobielsector is niet toevallig kampioen wat de aanvragen betreft. En als België een dossier indient voor Ford Genk zal het alle records breken. In 2010, het jaar waarin General Motors Antwerpen een steunaanvraag indiende voor zo’n 3.000 werknemers die elk ongeveer 3.000 euro ontvingen, kwam het Fonds tussenbeide voor zo’n 27.000 mensen gespreid over de ganse EU. In Genk alleen al gaat het om 10.000 werknemers. Let wel: de Vlaamse en de federale regering doen er goed aan om in het kader van hun begrotingsbesprekingen zelf ook extra geld opzij te zetten want een financiële tussenkomst van Europa is alleen mogelijk als ook de lidstaten hun duit in het zakje doen. Immers, de competitiviteit van de economie aanzwengelen en de arbeiders herscholen is niet alleen de verantwoordelijkheid van Europa. De lidstaten moeten uiteraard zelf ook voor eigen deur vegen en eindelijk doen wat Europa al zo lang van hen vraagt om meer jobs te creëren: sectoren steunen die in de toekomst voor de broodnodige economische groei kunnen zorgen.

Lagardes eerste eredoctoraat wordt uitgereikt in Kortrijk. De boodschap die van ‘haar’ IMF en de EU-instellingen uitgaat is ook buiten Griekenland relevant, en meer dan men zou denken.

Deze bijdrage werd geschreven samen met Steven Van Hecke en verscheen eerder in De Standaard.

9 mei: Geef Europa aan de mensen

Op 9 mei 1950 gaf Robert Schuman, toenmallig Frans minister van buitenlandse zaken, met zijn voorstel om Europees samen te werken op het vlak van kolen en staal de aanzet, voor de Europese eenmaking. De Europese Unie maakte van 9 mei de ‘dag van Europa’. Meer dan ooit lijkt Europa haar dag in mineur te vieren. Over gans Europa winnen euroscpetici terrein. Een zekere ‘Europa-moeheid’ maakt zich van het contintent meester en van grote Europese initiativen is al helemaal geen sprake meer. Mensen herkennen zich niet meer in het project. Meer dan ooit vragen ze zich af waarom ze het Europees project zouden moeten steunen.

Is het omdat het destijds begon uit afkeer voor de gruwel die de wereldoorlog bracht? Dat we ons wilden afzetten tegen de gevaren van extremistische politieke partijen? Dat we mede uit schrik voor de lokroep van extreem-rechts bij de Franse boeren die hun producten niet aan de straatstenen kwijt konden het Europees landbouw beleid hebben opgericht? Uit schrik dat Duitsland voor eeuwig onverenigd zou blijven? Omdat we geloven dat we dezelfde fundamentale waarden delen: democratie, vrijheid, samenwerking en het respect voor mensenrechten, het individu en de rechtstaat? Zestig jaar later lijken het voor ons verworven rechten, tot we even kijken wat pakweg in Oekraïne gebeurt.

Is het omdat de economische crisis van de jaren 70 en de club van Rome, die de klimaatproblematiek voor het eerst echt onder de aandacht bracht, ons hebben geleerd dat als we het allemaal zelf doen we elkaar samen naar de dieperik helpen? Dat mocht de Europese Unie niet bestaan internationale handel steeds verder geliberaliseerd zou worden onder internationale druk maar zonder regulering?

Is het omdat het Europa van de burgers van de jaren tachtig ons een nooit geziene openheid heeft gebracht? Dat we vrij naar andere landen mogen reizen zonder daarvoor toestemming te moeten vragen? Het lijkt banaal, maar voor jongeren uit de vroegere sovjetstaten die vandaag met het erasmusprogramma overal in Europa kunnen studeren is het dat niet. Tot niet zo heel lang geleden mochten ze het land niet eens uit. Het zou daar buiten wel eens beter kunnen zijn.

Het Europese project is er niet gekomen om de wereld te leiden of om bevoegdheden van de lidstaten te nemen, maar om de Europeanen een betere toekomst te geven. Om door samen te werken en dingen beter te doen een voorbeeld voor de rest van de wereld te zijn. Iets wat Europa vandaag nog steeds is voor vele landen.

En toch kan Europa vandaag niet op bijval rekenen. Zijn mensen al dat gezeur over Europa beu. En misschien hebben mensen wel gelijk. Steeds meer dingen in ons leven worden Europees gestuurd. Zo heeft de Europese Commissie sinds enkele maanden de plicht om zich uit te spreken over de begroting van de lidstaten. In de praktijk betekent dit meestal dat de de Commissie wil dat er meer bespaard wordt. Niet verrassend dat mensen troost zoeken bij nationale politici om hun sociale zekerheid te redden. De nationale reflex is begrijpelijk.

Paradoxaal genoeg heeft die sociale welvaartstaat zich maar kunnen ontwikkelen door de ongekende groei die de Europese samenwerking heeft gebracht. Europa als redder van de door haar zo vaak verfoeide natiestaat. En net daar ligt de uitdaging voor Europa.

De financieel-economische crisis heeft duidelijk gemaakt dat een aantal Europese landen boven hun stand leven. Besparingen waren noodzakelijk. Ondertussen hebben de pijnlijke taferelen waarmee besparingen gepaard gaan duidelijk gemaakt dat er niet alleen bespaard kan worden, maar dat er vooral nood is aan groei, aan tewerkstelling. Maar wie zal dat betalen? Welke groei willen we? De meeste nationale regeringen hebben geen middelen om grote projecten te ontwikkelen. De kans is dan ook groot dat nationale regeringen gauw zullen beseffen dat nieuwe grote Europese projecten gefinancieerd met Europese overheidsobligaties wel eens een goed alternatief kunnen zijn. En komt er misschien eindelijk een hogesnelheidstrein van Berlijn over Warschau naar Tallin. Of wordt het idee van groene groei meer dan een lege doos.

Sommige pessimisten zien vandaag de dag parallelen met het leven in de jaren dertig van de afgelopen eeuw en vrezen het ergste. Maar wat als we niet in de jaren dertig maar eind jaren veertig zijn? Dat de wereld in chaos verkeert na de financieel-economische crisis? Dat we Europa terug moeten heropbouwen? Welk Europa zou dat zijn?

Een Europa dat alleen de meest competitieve ter wereld wil zijn? Dat de Verenigde Staten als voorbeeld neemt en de ogen sluit voor de sociale ongelijkheid die langs de achterdeur mee naar binnenkomt? Een Europa dat niet beseft dat leven meer is dan werken alleen? Dat de veertig uren werkweek ook toelaat om zich cultuureel te ontplooien en tijd voor familie en vrienden brengt?

Telkens opnieuw en in alle hoeken van Europa horen we dezelfde bezorgdheid en toch weigeren nationale regeringen halstarig hun sociale bevoegdheden stap per stap Europees te beheren. Door niet te handelen beconcurreren de Europese lidstaten elkaar onderling en duwen ze de sociale bescherming naar beneden voor iedereen. Willen we Europeanen een betere toekomst geven dan moet er niet minder, maar meer samengewerkt worden. En pas dan zullen de mensen terug meer aanhang vinden bij het Europese project, zullen Europeanen zich meer één voelen. Zal Europa niet meer het gevoel hebben door ambtenaren te worden bestuurd, maar kan er een echte Europese gemeenschap ontstaan.

Het hoeft niet te verwonderen dat Europa slechts weinigen kan begeesteren vandaag. Het Europese debat gaat al te vaak over de instellingen, over wat het is en niet wat het zou moeten zijn. Nochtans is dat de vraag waar we vandaag voor staan, waar Europeanen zich over moeten kunnen uitspreken. Welke toekomst voor Europa? Als de Unie daar een antwoord op kan geven zal het pas echt feest zijn op 9 mei.

De onzin van de nationale stresstest

Ierse banken maken zich zorgen. De Ierse banktoezichthouder publiceert donderdag immers het resultaat van haar stresstests die de weerbaarheid van banken tegen hypothetische externe schokken meten. Sommige banken maken zich mogelijks klaar voor een nieuwe kapitaalinjectie. Maar niet alleen Ierland moet zich zorgen maken, ook de positie van andere Europese banken is nog steeds onduidelijk.

Heel wat Europese banken hebben vandaag de dag reeds activiteiten in verschillende Euopese landen of zijn actief op mondiale schaal. Omdat het nog steeds de nationale overheden zijn die in beeld komen wanneer er iets fout loopt, hebben Europese lidstaten meermaals aangedrongen op meer van die stresstests.

En vermits het de nationale belastingbetalers zijn die de reddingsoperaties van de banken betalen kunnen die stresstest maar best op nationaal niveau worden gedaan wordt geargumenteerd. En dus worden stresstesten voorbereid door nationale toezichthouders met een minimale inbreng van de recent opgerichte Europese Bank Autoriteit (EBA).

Dit is echter niet zonder gevaar. Wanneer minder dan een halfjaar na de laatste stresstest Ierse banken in de problemen komen, was het meteen duidelijk dat de situatie van de Ierse banken een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de test. Dat heeft het vertrouwen van de markt in de test geen goed gedaan. Wat is de waarde van een test dat eerste bepaalt wie zal slagen en pas later de criteria vastlegt?

Financieel toezicht kan in een Europese eenheidsmarkt niet langer enkel en alleen gebeuren door nationale toezichthouders. Sommige Europese lidstaten zijn bewust soepeler in het toezicht en de rapportering die ze verwachten van hun bedrijven dan andere lidstaten om kapitaal aan te trekken en worden daarvoor niet op de vingers gewezen. Belastingbetalers mogen dan wel betalen voor hun banken in slechte tijden, ze genieten wel van de bijdrages van dezelfde banken tot de begroting in goede tijden. Er is dan ook een duidelijke nood om binnen de eurozone (en nog beter, binnen de Europese Unie) toezichthouders de mogelijkheid te ontnemen om zich te laten verleiden door door nationale belangen.

De markt koestert grote verwachtingen van de pas opgerichte Europese Bank Autoriteit en de vraag blijft of de nieuwe Autoriteit aan deze verwachtingen zal kunnen voldoen. EBA publiceert een nieuwe reeks stresstesten voor juni 2011 (waarvan de Ierse deel uitmaken). De vraagt blijft hoe de markt zal reageren op de nieuwe test. In elk geval zou het wijs zijn voor banktoezichthouders om banken regelmatiger onder de loep te nemen en niet alleen op vraag van politici of wanneer het de financiele markten niet voor de wind gaat. Op deze manier kan een betere test worden ontwikkeld en ontstaat er geen paniekreactie op de markt wanneer blijkt dat aan nieuwe stresstests word gewerkt.

Banktoezichthouders zullen in elk geval beter moeten doen dan in het verleden. Tijdens de discussies over de oprichting van de nieuwe Europese toezichthouders hebben nationale toezichthouders altijd op hun onafhakelijkheid blijven hammeren. In tijden waar nationale begroting onderworpen zijn aan een Europese toets, is het op zijn minst merkwaardig dat banktoezichthouders ontsnappen aan elke vorm van Europees toezicht.

Het huidige consensusmodel waarbij de stresstests worden voorbereid op nationaal niveau speelt in het voordeel van landen die zich voorbereiden op kapitaalinjecties. Het systeem laat geen ruimte voor meer transparantie, sterkere tests en het delen van informatie tussen de lidstaten. Nochtans cruciaal voor effectief toezicht.

Slagen de stresstests er niet in om de markt te overtuigen in juni 2011 dan zullen banktoezichthouders elkaar niet langer de boeman kunnen doorspelen. Hun credibiliteit staat op het spel. Net als deze van de kersverse Europese Bank Autoriteit. Loopt het wederom fout dan kunnen stresstest best meteen aan de Europese Bank Autoriteit of de Europese Centrale Bank worden toevertrouwd. Een bevoegdheid die ze eigenlijk al zou moeten hebben.

Deze bijdrage verscheen eerder in Knack.